Tussen mammoet en mini

Het mag weer: drie symfonieorkesten spelen dit jaar Bachs Matthäus Passion onder leiding van een ‘gewone’, niet in oude muziek gespecialiseerde dirigent. „Bach was ontvoerd door de pioniers van de authentieke uitvoeringspraktijk. Nu zijn wij er weer.”

Iván Fischer foto Maurice Boyer Ivan Fischer, dirigent Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 031023 Boyer, Maurice

Het is even schrikken. Ongemerkt zijn we gewend geraakt aan Bachs Matthäus Passion in een zeker tempo. Neem het tempo van Ton Koopman (2 uur en 45 minuten), van Nikolaus Harnoncourt (2 uur en 41 minuten) of van Paul McCreesh (ook 2 uur 41 minuten); de verschillen zijn sinds de legendarisch gedragen Matthäus Passion onder leiding van Otto Klemperer (3 uur en 45 minuten) minimaal geworden.

Maar Sir Colin Davis wil het openingskoor vandaag weer langzamer horen. In de lege Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw remt hij met brede armgebaren de gewoontegetrouw in wandeltempo inzettende musici van het Nederlands Kamerorkest af. Kalm en gedragen klinkt zijn Matthäus. Maar voor Davis bestaan die begrippen niet. „Wat is langzaam, wat is snel? Het gaat erom hoe het klinkt. Lastig wordt het pas waar de tekst treurt, terwijl de onderliggende muziek danst.” Davis benadert de musici nuchter, met een hoffelijke ironie als smeermiddel. „Deze melodie moet stromen. Als u trekt, trekt u. En als u duwt, duwt u. Niet doen. Deze muziek is wat zij is.”

In zulke liberale termen is de discussie over de Matthäus Passion lang niet gevoerd. Het Bachjaar 2008 is – noem het trend of toeval – een retrojaar. Drie orkesten hebben er onafhankelijk van elkaar voor gekozen hun passie-uitvoeringen te laten leiden door ‘gewone’ dirigenten – die overigens wel allen een andere generatie vertegenwoordigen. Behalve Sir Colin Davis (80) bij het Nederlands Kamerorkest, leidt Iván Fischer (57) de Matthäus bij het Koninklijk Concertgebouworkest en Yannick Nézet-Séguin (32) die bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Naar specialisten als Koopman, Herreweghe, Harnoncourt, McCreesh of Norrington wordt in de Nederlandse passiekalender dit jaar vergeefs gezocht.

Vanuit puristisch perspectief lijkt die ontwikkeling regressief. Niet-gespecialiseerde dirigenten die barokmuziek uitvoeren met reguliere, op moderne instrumenten spelende orkesten – dat doet denken aan Otto Klemperer, Willem Mengelberg of – recenter – Riccardo Chailly en zijn eenmalige Matthäus Passion uit 1999. Maar een hernieuwde richtingenstrijd is dit jaar ver weg. Daarvoor zijn generalisten als Fischer en Nézét-Séguin zelf te zeer vertrouwd met de verworvenheden van de authentieke uitvoeringspraktijk.

Sir Colin Davis moet er in zijn schaars

verlichte dirigentenkamer in de kelders van het Concertgebouw vluchtig om glimlachen: „Bachs muziek was sinds de jaren zeventig gekidnapt door de pioniers van de authentieke uitvoeringspraktijk. Nu mogen wij weer, de ‘gewone’ dirigenten.

„Weet u, het maakt eigenlijk allemaal weinig uit. Bach is een geweldige man. Hij laat zich niet opsluiten in welke overtuiging dan ook. Het zal me een zorg zijn wat mensen allemaal zeggen over ‘authentiek’ of niet. Wie weet écht hoe muziek klonk in Bachs tijd? Ik niet hoor, ik was er niet bij. En bovendien: we leven nu. Het gaat erom de noten nu tot leven te brengen. Als dat lukt, kun je per definitie niet ‘fout’ bezig zijn.”

Bij het Koninklijk Concertgebouworkest werden de passie-uitvoeringen van 2006 en 2007 nog geleid door specialist Roger Norrington. Zijn opvolger Iván Fischer zat onopvallend achterin de zaal. Geconcentreerd keek hij. En soms, in de ogen van de buitenstaander, een heel klein beetje zuur. Maar Fischer is er de man niet naar een collega te bekritiseren. „Alleen dat vrolijke marstempo in So ist mein Jesus nun gefangen, dat snapte ik niet”, wijst hij in zijn Amsterdamse woonhuis na enig bladeren aan in zijn partituur. „Aan de vervlochten stemmen van sopraan en alt hoor je hoe Christus is vastgebonden. Voor mij is dat treurmuziek, vol van pijn. Ik kies daar een langzamer tempo.”

Fischer leidde zijn eerste en enige eerdere Nederlandse Matthäus in 1994, bij de Nederlandse Bachvereniging. Opmerkelijk was toen vooral de ruimtelijkheid, met het eerste en tweede koor op grote afstand van elkaar opgesteld in de zijbeuken van de Grote Kerk in Naarden. Vragen en antwoorden kaatsten theatraal heen en weer. „Sehet! Wen? Seht ihn! Wie?”

„De dubbelkorigheid in de Matthäus is voor mij een essentieel gegeven”, zegt Fischer. „De hele Matthäus Passion is op een vraag/antwoord structuur gebouwd. Alleen als je beide koren uit elkaar plaatst, ontstaat een natuurlijke vertraging tussen de vraag en het antwoord.”

Anders dan Sir Colin Davis

is Iván Fischer geen onversneden ‘gewone’ orkestdirigent. Als ex-assistent van oude muziekpionier Nikolaus Harnoncourt staat hij „met één been in de authentieke uitvoeringspraktijk en één been in de symfonische traditie”, zegt hij zelf. „Ik denk dat het onderscheid tussen authentiek en niet-authentiek in de toekomst steeds minder belangrijk zal worden. Het gaat om de inhoud van de muziek. Die moet aangrijpend en begrijpend worden uitgevoerd. Om daarbij alleen barokke middelen toe te staan, gaat mij te ver.”

Echte authenticiteit is ook niet realiseerbaar, vindt Fischer. „Je moet altijd compromissen sluiten. Waar vind je voor een ‘authentieke’ Händel-opera de castraten? Harnoncourt leerde mij: de mens is belangrijker dan zijn instrument. Ik heb in Hongarije pas gewerkt met een orkest van geestelijk gehandicapte kinderen. De een speelde marimba, een ander op een cello met twee snaren – allen naar beste kunnen. Ik was tot tranen toe geroerd. Als dat orkest me zou vragen een Matthäus uit te voeren, zou ik er bovenop springen. En dat zou een aangrijpende uitvoering zijn, al heeft het met barok niks te maken. ”

Het Concertgebouw is een knooppunt van belangrijke muzikale ontmoetingen. Maar er zijn er ook vele die toevallig net níet plaatsvinden. Zoals op deze dinsdagochtend. In de antichambre repeteert Iván Fischer. Colin Davis kan er daarom nu even niet terecht. Maar zouden ze elkaar per ongeluk wél treffen en spreken over de Matthäus Passion waarvoor ze beiden in Nederland zijn, dan zouden er interessante overeenkomsten bovendrijven.

Davis, vermaard om zijn uitvoeringen van onder meer Berlioz en Mozart, leidde de Matthäus voor het eerst in 1985, Bachs driehonderdste geboortejaar. Daarna volgden nog twee incidentele uitvoeringen. „Dat het er niet meer waren, was niet mijn beslissing”, zegt Davis. „Natuurlijk houd ik veel van de Matthäus Passion. Ik ben geen religieus man, maar hier geloof je elk woord, elke noot. Daarin ligt voor mij ook de sleutel voor de manier waarop de muziek moet klinken. Je moet er zelf door geabsorbeerd worden, en je moet ervoor zorgen dat de luisteraar er net zo in wordt opgezogen. De emotionele lading van de Matthäus is enorm; Hoe kan iemand zeggen dat Bach geen emotioneel componist was? Deze muziek is vol van lijden en tranen. Maar op een verinnerlijkte manier. Je moet de emotie er niet blindelings uitgooien. Dat vind ík hier belangrijk.”

Van de drie ‘retro-Matthäussen’ is alleen die van Colin Davis al geweest; Fischer volgt vanavond, Nézet-Séguin woensdag. Davis’ uitvoering werd maandag in de Nederlandse pers matig enthousiast ontvangen. Slordigheden werden niet door een overdonderende visie gecompenseerd en hoewel het tempo opvallend lager lag, weken de gebruikte middelen niet zo veel af van de ‘authentieke’ passie-uitvoeringen. Een klein orkest, twee kleine koren. Een medium-Matthäus dus eigenlijk, als middenweg tussen de vooroorlogse mammoet-Matthäussen en de mini-Matthäus die vanavond bij de Nederlandse Bachvereniging in de Grote Kerk van Naarden klinkt, uitgevoerd door met twee kwartetten van solozangers en acht ‘ripienisten’ om hen in de koralen en koren te versterken. De Bachvereniging volgt daarmee in iets mildere vorm de zienswijze van Bachvorsers Joshua Rifkin en later Andrew Parrott, die door dirigent Paul McCreesh in 2003 voor het eerst ook in een Matthäus Passion tot klinken werden gebracht.

Een soortgelijk kleinschalige, ‘authentieke’ aanpak koos ook Yannick Nézet-Seguin (32) toen hij op zijn twintigste „als babydirigent” zijn eerste Bach-passie uitvoerde met de door hem zelf opgerichte Chapelle de Montréal. „Ik kom uit de authentieke traditie, ik houd erg van zo’n intieme bezetting”, zegt hij. Dat zijn Matthäus in de grootschalige Rotterdamse Doelen straks meer eist, is voor Nézet-Séguin geen ideologisch offer, maar een praktische vanzelfsprekendheid. „Grote muziek, zoals die van Bach, heeft het voordeel dat ze in allerlei verschillende interpretaties overeind blijft.” Nézet-Séguin kiest voor een kleine symfonische bezetting, het Nederlands Kamerkoor (32 zangers) en zes solisten. „Maar ik ben wel blij dat veel van de Rotterdamse musici ervaring hebben met oude instrumenten, of met de verworvenheden van de authentieke uitvoeringspraktijk. In de muzikale aanpak kan ik daar op aansluiten. Ik vind het belangrijk historisch geïnformeerd te zijn. Maar de muzikale oprechtheid is veel belangrijker.”

Ivan Fischer kiest voor een zelfde

praktische flexibiliteit. Het liefste zou hij de koralen laten zingen door het publiek, als gemeentezang. „Maar het concertritueel van de Matthäus Passion in het Concertgebouw staat zo ver af van een uitvoering in een kerk – hier vind ik het niet realiseerbaar. Maar de koralen moeten wel klinken alsof ze door een gemeente worden gezongen. Langzaam en simpel. Ik heb de aria’s ook wel door koorzangers laten zingen, maar in de Grote Zaal werkt dat niet. Dus kiezen we voor ‘echte’ solisten, die ook vooraan staan.”

Colin Davis: „Ik ben echt te oud voor discussies over goed en fout. Neem die eeuwige twist over het gebruik van vibrato. Waarom moeten strijkers Bach zonder vibrato spelen? Dat geeft een mooie kleur, maar niet de enig denkbare.”

Iván Fischer: „Wij weten meer over Bachs tijd dan Mengelberg en Klemperer. Dat is opwindend. Maar er ligt te veel nadruk op de reconstructie van de middelen van toen. Ik zou nooit een uitvoering willen dirigeren waarvan het publiek na afloop met genoegen zegt: „Hè, dat was mooi authentiek!” Nee, ze moeten de muziek en het verhaal beleven. De inhoud gaat voor de klank.”

Voor Bach was de Matthäus Passion ook ‘gewoon’ zijn werk; als cantor van de Thomaskerk in Leipzig was hij verplicht zorg te dragen voor oratorische passiemuziek voor Goede Vrijdag. Maar in de Nederlandse Matthäus-traditie, nergens ter wereld in rijkdom aan uitvoeringen of publieksbereik geëvenaard, is Bachs muziek meer dan dat. Cultuurminister Ronald Plasterk – uitvinder van het ‘ietsisme’ – zingt als lid van KCOV Excelsior maandag zelf de Matthäus in het Concertgebouw, in een van de ruim honderd passieuitvoeringen die de uitagenda deze maand telt.

Iván Fischer verbaast zich nog steeds over „de Nederlandse liefdesverhouding met de Matthäus Passion”, zegt hij. „Ik ben zelf van niet-praktiserende joodse komaf; een gezin waarin cultuur de plaats van religie had ingenomen. Bach, Goethe en Beethoven waren de nieuwe, wereldlijke goden. Maar de Hohe Messe was net zo belangrijk als de Matthäus.”

Toch zal een meer ‘seculiere’, muziektheatrale dramaturgie zoals Riccardo Chailly die in 1999 bij het Concertgebouworkest realiseerde, bij Fischer vermoedelijk uitblijven. „Een Passion is een spiritueel ritueel. Er wordt een verhaal verteld, maar er is absoluut geen sprake van ‘rollen’.” Voor Fischer is dat een reden te werken met één bas-solist, die de Christuspartij én de losse bas-aria’s zingt, en daarin ook op Christus reageert. Nézet-Séguin kiest ervoor de Christuspartij juist wel te scheiden van de losse bas-aria’s. „Dat versterkt de publieksreactie op het lot van Christus. Ik ben zelf Christen, ik vind dat belangrijk. Maar mijn doel is oecumenisch: ik wil ook niet-gelovigen roeren. Dan helpt het om de dramatische lijn helder te houden.”

Iván Fischer noemt zijn relatie met de Matthäus complex; een Johannes Passion onder zijn leiding mogen we niet verwachten. Fischer: „Mij interesseert de authentieke Jezusfiguur; de charismatische joodse heelmeester. Nu ik er meer over gelezen heb, zie ik in de evangeliën beter waar de teksten authentiek zijn, en waar ze zijn aangepast door de vroeg-Christelijke kerk. Aan het evangelie volgens Johannes zijn anti-joodse elementen toegevoegd waar ik te veel moeite mee heb om de Johannes Passion nog te willen uitvoeren. Met Bach heeft dat niks te maken. Maar ik kan niet alleen maar leuk muziek maken en niet nadenken over de inhoud.”

Sir Colin Davis trekt één grijze wenkbrauw op bij de vraag naar zijn religieuze beleving van de Matthäus. „Pasen valt op de eerste zondag na de eerste volle maan van de lente. Dat zegt toch genoeg over de heidense tradities waarop het lijdensverhaal teruggrijpt?”

Matthäus Passion Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Iván Fischer: 16/3 om 12 uur op Radio 4 (live); Rotterdams Phil. Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin: 19, 20 en 21/3 om 19.30u, De Doelen, Rotterdam.

    • Mischa Spel