Steeds weer opstaan

In zijn nieuwe boek ‘Baghdad Calling’ toont oorlogsfotograaf Geert van Kesteren gruwelijke – en ook vrolijke – beelden die de Irakezen zelf met hun mobieltjes maakten.

Amateurbeelden uit Irak, gemaakt met mobiele telefoons foto’s uit het boek ‘Baghdad Calling’ van Geert van Kesteren Kesteren, Geert van

Zo kan het dus. Al jaren zitten westerse redacties met de handen in het haar. Irak ondergaat de waarschijnlijk grootste humanitaire crisis ter wereld van dit moment, met etnische zuiveringen groter en vooral ‘succesvoller’ dan tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Honderdduizenden doden, vier miljoen vluchtelingen, een hele bevolking getraumatiseerd.

Hoe bericht je daarover nu het land voor correspondenten te gevaarlijk is geworden? Want in Irak zijn journalisten doelwit, sinds 2003 werden er al 126 vermoord. Natuurlijk, persbureaus als Reuters leveren cijfers en politieke ontwikkelingen. Maar hoe laat je die ellende leven? Hoe bied je weerwerk aan het Amerikaanse pr-apparaat dat de etnische zuiveringen consequent probeert te bagatelliseren tot ‘sektarische botsingen’, en ‘burgeroorlog’ tot ‘het geweld’?

Nederlandse meest succesvolle oorlogsfotograaf Geert van Kesteren presenteert volgende week in zijn boek Baghdad Calling een antwoord: nieuwe journalistieke methodes, mogelijk gemaakt door nieuwe technologische ontwikkelingen. In dit geval: foto’s van Irakezen zelf, gemaakt met hun mobiele telefoons. De beelden illustreren verhalen van vluchtelingen, opgetekend door Van Kesteren in de buurlanden. Blader het boek door en de werkelijkheid in Irak grijpt je harder bij de keel dan duizend statistieken.

Van Kesteren deed zijn ontdekking bij toeval. Vanaf de val van Bagdad was hij erbij geweest, voor Der Spiegel en Der Stern, en embedded met het Amerikaanse leger voor Newsweek. Hij zag de situatie ontaarden, en medio 2004 was het duidelijk: Irak was te gevaarlijk geworden. „Alleen de aller-, allerdapperste collega’s gaan nog”, zegt Van Kesteren. „Maar dan embedded. Ik wil als fotograaf het conflict weergeven zoals de mensen daar het beleven. Dat kun je moeilijk embedded doen, want dan kom je binnen met het leger. Probeer dan nog maar eens uit het perspectief van de gewone Irakezen te fotograferen.”

Irak is een no-go area geworden

voor blanken, maar ook voor veel Irakezen zelf. Sji’ieten die in een soennitische wijk wonen, soennieten in een sji’itische wijk, Iraakse christenen. Zo’n twee miljoen Irakezen zijn na hun etnische zuivering naar elders in het land gevlucht, nog zo’n twee miljoen naar de buurlanden, vooral Syrië en Jordanië.

En daar, in de Jordaanse hoofdstad Amman deed Van Kesteren zijn ontdekking. Hij maakte kennis met een stel gevluchte Iraakse artsen, van wie er een door een Amerikaanse high velocity kogel was geraakt. Zijn vrienden behandelden hem, voor zover dat ging. „Kijk, dit is er over van mijn vriend”, zei een arts tegen Van Kesteren, en toonde hem een foto op zijn mobiel van een verschrikkelijke wond. Even later overleed de arts.

„Irakezen blijken met hun mobiele telefoons massaal foto’s te maken en uit te wisselen”, vertelt Van Kesteren in een Amsterdams café. „Ze fotograferen huizen, straten, rookpluimen, feestjes, familie. Via internet gaan de foto’s de wereld over, naar familie.”

En zo kreeg Van Kesteren zijn idee voor Baghdad Calling. Hij vroeg hulporganisaties en Iraakse kennissen om zoveel mogelijk beeld uit Irak. Verder ging hij met een tolk de straat op in Damascus en Amman, waar veel Irakezen hun toevlucht hebben gevonden. Volstrekt willekeurig schoot hij mensen aan, en dan was het praten, praten en nog eens praten. Het bleek een vruchtbare methode om pakkende menselijke verhalen én beelden uit Irak naar boven te halen. „We kregen van alles binnen. Soms gemanipuleerde foto’s, propagandadingen, maar ook foto’s overgenomen uit de krant. Het was mijn taak om echt van nep te onderscheiden.”

Ook de verhalen die hij optekende, moest hij op authenticiteit zien te controleren. „Daarvoor gebruikte ik klassieke journalistieke ondervragingstechnieken. Heel lang praten, drie of vier keer vrijwel dezelfde vraag stellen en dan de antwoorden vergelijken.” Makkelijk was dat niet altijd. Je zit bij een familie van acht kinderen tussen de twee en de veertien, gevlucht nadat hun ouders voor hun ogen waren vermoord. Ze waren namelijk het enige christelijke gezin in het dorp. En dan moet je aan een meisje van twaalf vragen: Dus je hebt zelf gezien hoe je moeder werd doodgeschoten? Hoe ging dat dan in zijn werk?”

Heftig, inderdaad. Maar, zegt Van Kesteren, mensen vinden het toch wel fijn om erover te praten, een oor te vinden. „Van de ene op de andere dag is ze alles afgenomen, hun huis, hun status, hun vrienden, hun vertrouwde omgeving. Dat verhaal wil vrijwel iedereen kwijt, waar het om gaat is dat je tijd neemt, en niet even wat snelle quotes komt halen.”

De ICT geeft deze burgeroorlog een nieuwe dynamiek, merkte Van Kesteren. Je telefoon gaat, je ziet de naam van je zus, maar als je opneemt hoor je: ‘U spreekt met luitenant X, tolk van het Amerikaanse leger. Wij hebben hier het lichaam van een gedode vrouw. Kunt u haar komen identificeren?’ Of de telefoon gaat en je krijgt niet je zoon maar diens kidnapper, die zijn losgeldeisen formuleert, nadat hij eerst heeft geëist dat je het beltegoed opwaardeert. Van Kesteren: „Die kidnappers zoeken in de namenlijst van je telefoon gewoon ‘papa’ op.”

Onwaarschijnlijk gruwelijk is

het conflict in Irak, zodanig dat het soms surreëel wordt. Dat soennitische terroristen hun slachtoffers de nek afsnijden, terwijl sji’ieten je dood martelen met een drilboor. Dat milities lijken dumpen op straat en dan nabestaanden verbieden om het op te ruimen – dat werkt extra afschrikwekkend. Daar rij je dan langs, met op de achterbank je kinderen. In Baghdad Calling staat een foto van een skelet, midden op een doorgaande weg. Van Kesteren heeft zelf twee foto’s in het boek gepixeld, dat wil zeggen de gezichten onherkenbaar gemaakt. „De Irakezen zeiden zelf dat ze herkenbaar in beeld wilden, maar ik heb het toch niet gedaan. Iemand op een feestje met bier op tafel, een jongen met posters van westerse sterren. Ik wil niet op mijn geweten hebben dat hun door dit boek iets overkomt.”

Als één ding duidelijk wordt uit Baghdad Calling, dan is het dat burgeroorlog een ramp is, een ramp ook die mensen treft die zich nooit konden voorstellen slachtoffer te worden. Irakezen met een universitaire of hbo-opleiding, fans van Barcelona of Manchester United, met een Gamebox XT, en een voorliefde voor de films van Quentin Tarantino. Mensen kortom zoals de lezers van NRC Handelsblad. Dat is een beangstigende gedachte waarvoor een normaal mens zich het liefst afsluit. Maar, zegt Van Kesteren, wij westerlingen zijn het geweest die met de invasie van Irak de poorten van deze hel hebben opengezet.

En hij heeft daar nog iets aan toe te voegen, een hoopgevende noot nog wel. Van Kesteren fotografeerde slachtoffers van oorlogen overal ter wereld, van de aidsepidemie in Afrika en van de tsunami. Ellende. Ellende. Ellende. Maar wat is het belangrijkste gevoel waarmee hij van iedere reis terugkomt? Ontzag voor de weerbaarheid van mensen. Ook nadat je etnisch bent gezuiverd, komt er weer een dag. Vandaar de foto’s in Baghdad Calling van mannen die ergens in Bagdad schaterend met zijn drieën van de glijbaan afgaan. Een moslimfamilie die met rood-witte mutsen op Kerstmis viert. Een toneelstuk op de plek waar eerder een bomaanslag plaatsvond.

„Het is ook ontzettend moeilijk”, zegt Van Kesteren, en hij roert in nog een dubbele espresso. „Je wilt als fotograaf je publiek in het centraal verwarmde Nederland wakker schudden. Aandacht vragen voor de ellende daar. Maar daarna wil je weer laten zien hoe mensen zich daar doorheen slaan, hoe ze op een ongelofelijke manier hun waardigheid behouden, en steeds weer opstaan.

„Misschien dragen we dat in onze artikelen en boeken te weinig uit, dat we mensen te veel neerzetten als slachtoffers en te weinig als opbouwers, te veel oog voor leed en te weinig voor veerkracht.”

‘Baghdad Calling’ verschijnt 18 maart. Prijs € 25,-.

    • Joris Luyendijk