Schrijvende struldbruggs

Op 21 april 1708 zet kapitein Lemuel Gulliver voet aan wal op het eiland Luggnagg, waar hij al vlug ontvangen wordt door de koning. De heren kunnen het goed met elkaar vinden. Op een partijtje aan het hof vraagt een van de aanzienlijke gasten hem of hij weleens een Struldbrugg heeft gezien. Nee. Wat is dat? Een heel enkele keer gebeurt het dat er een kind met een rode vlek vlak boven de linker wenkbrauw wordt geboren. Het zekere teken dat dit wezen onsterfelijk is. Gulliver wordt vervuld van vreugde. Nooit meer angst voor de dood! Getuige te zijn van de hele geschiedenis der mensheid! Wat een geweldig geluk!

Zijn zegsman glimlacht, kijkt hem een beetje medelijdend aan. Het is heel anders. De Struldbruggs kunnen niet sterven maar ze worden wel steeds ouder. Als ze omstreeks hun veertigste goed gaan beseffen dat ze voor eeuwig op aarde moeten blijven, worden ze steeds neerslachtiger. Op hun tachtigste worden ze krachtens een speciale wet dood verklaard. Gulliver ontmoet dan iemand van omstreeks tweehonderd. Dat is al geen pretje. Daarna een paar ‘onbeschrijfelijk spookachtige wezens’ die nog veel ouder zijn. Het verlangen naar de onsterfelijkheid is hem grondig vergaan.

Jonathan Swift heeft zijn meesterwerk voltooid in 1726. Hij zal zeker geïnspireerd zijn geweest door bekende Britten van toen maar nergens noemt hij namen die zouden kunnen verwijzen naar zijn tijdgenoten. Het gaat over algemene toestanden, zoals bijvoorbeeld op het zwevende eiland Laputa. Dat wordt bewoond door buitengewoon geleerde mensen die altijd vergezeld worden door een knecht die een opgeblazen varkensblaas aan een touwtje bij zich heeft. In de blaas zit een kleine hoeveelheid gedroogde erwten. De geleerden zijn dusdanig in hun formules verdiept dat ze verder alles vergeten. Het is de taak van de knecht zijn meester met de blaas om de oren te slaan als het bijvoorbeeld etenstijd is. Door het gerammel keert hij terug tot de werkelijkheid.

Van de Struldbruggs wordt niet vermeld, welk beroep ze in hun leven voor hun tachtigste hebben uitgeoefend. Het is niet onwaarschijnlijk dat er een paar schrijvers bij zijn. Was Joost van den Vondel als Struldbrugg geboren, dan zou hij nu 411 zijn geweest. Relatief jong nog. Ik weet bijna zeker dat dit jaar de Commissie voor de Propaganda van het Nederlandse Boek hem had opgespoord, dat hij in triomf naar het Boekenbal was gevoerd en dat zijn portret op de voorpagina van alle kranten had gestaan.

Beroemd zijn is in deze tijd een beroep geworden. Het is onlangs nog bewezen door de 104 jarige zanger en toegewijde sigarettenroker Johan Heesters. Naar de maatstaven van Swift zou hij een piepjonge Struldbrugg zijn. Voor, tijdens en na zijn optreden in Amersfoort werd hij letterlijk bijna overweldigd door vrienden, bewonderaars en vijanden. Hij had er plezier in en voor zijn leeftijd zag hij er goed uit.

Misschien beleven we een culturele kentering. Jong te zijn was een verdienste waarvoor je verder niets hoefde te doen. Te oordelen naar wat er dit jaar in de Boekenweek gebeurt, raakt die tijd voorbij. Oud zijn is weer in. De nieuwe toekomst is aan de Struldbruggs.

    • H.J.A. Hofland