Recensie

Het meisje is het meisje een wolf

Meisjesvriendschappen Na de kleffe vriendschappen van jonge meisjes komt vaak de pijnlijke breuk. Drie nieuwe romans gaan over zulke beladen meisjesvriendschappen – en de beste van de drie ook over meer dan dat.

Meisjesvriendschappen hebben vaak iets van verliefdheid Foto Alessandra Sanguinetti/IV/Magnum Photo’s

Op de bank in de kleedkamer bij het gymnastieklokaal lag plat op haar rug mijn beste vriendin. ‘Buik, buik, waar ben je nou’, riep ze giechelend, langs haar kin omlaag turend. Anderen uit onze brugklas bewonderden haar borsten, veruit de grootste van ons allemaal, en ik dacht: wie ben jij, kreng. Je lijkt wel iemand anders, niet langer mijn hartsvriendin van de basisschool.

De mens is de mens een wolf, en dat geldt zeker ook voor meisjes. Ze zijn, tot ze seksueel ontluiken, vaak zo hecht en klef in hun vriendschappen dat het haast verliefdheid lijkt. De een kijkt tegen de ander op, ze verliezen zich in elkaar, ze klampen zich aan elkaar vast. Een breuk is op den duur onafwendbaar – maar dat weten zulke meisjes niet. Nog niet. Het is een dankbaar onderwerp voor literatuur.

Het onlangs verschenen Meisje in brand van Claire Messud en Het wolfgetal van Laura van der Haar gaan over zulke meisjesbondgenootschappen. Verwant is Mirthe van Doorniks Moeders van anderen, al betreft het hier de band tussen twee zussen.

De Amerikaanse Messud (1966) schrijft over Julia en Cassie, bevriend sinds de zandbak. Julia, de ik-verteller, is groot en grofgebouwd, Cassie ijl en frêle. Maar Cassie is de baas en de durfal; Julia volgt.

Meisje in brand is een terugblik. Julia vertelt over de tijd vóór de middelbare school: de prepubers wilden allebei dierenarts worden, zij ‘dierenarts, popster en schrijfster, Cassie dierenarts, actrice en modestyliste’ en werken daartoe in de zomermaanden in het asiel. Tot Cassie in haar hand wordt gebeten door een pitbull en er niet veel meer valt te doen dan rondhangen. Zo belanden de meisjes in een verlaten landhuis diep in het bos, ooit een gesticht voor vrouwen.

Meisje in brand is een vernuftig opgebouwde vertelling, die je doet vergeten dat er een eenzijdige kijk op wat gebeurt wordt gegeven. Alles lijkt terloops, maar krijgt een steeds onheilspellender bijklank. In het gesticht, afgezonderd van de normale wereld, zijn de vriendinnen meer dan ooit samen, stelt Julia: ‘[Ik] had het gevoel tegelijk in Cassies hoofd als in het mijne te zijn, alsof we één geest hadden en de grenzen ervan samen konden verkennen, verhalen konden verzinnen en onszelf herscheppen tot wie we wilden zijn.’

Eerbetoon of afrekening

Messud is uiterst geraffineerd. In kleine terzijdes, opmerkingen van derden, een moeder die een wenkbrauw optrekt, plaatst zij vraagtekentjes bij de perceptie van Julia. Is Cassie wel het stoere populaire meisje waar Julia haar voor houdt? En andersom, is Julia wel zo zorgvuldig wanneer ze vertelt wat er buiten haar om misgaat met Cassie? Is dit boek een eerbetoon aan een vriendschap, een afrekening, of beide? Messud schrijft leunstoelproza, waarin je comfortabel meegaat in de vertelling, schijnbaar van de hak op de tak, maar steeds voortstuwend.

Veel statischer is Het wolfgetal, het prozadebuut van dichter Laura van der Haar, dat tot op de helft leest alsof je door een fotoverzameling vol selfies van twee zelfingenomen vriendinnen scrollt. Op instigatie van de een, de felle Vikki, halen ze rottigheid uit. De ander, met minder bravoure, blijft naamloos. Zij is ook hier de ik-verteller. ‘Kijk jij wel eens naar je kutje?’ luidt de vraag van Vikki aan haar, aan het begin van het boek. ‘Wat lach je nou?’ Op deze toer gaat het verder. Vikki is stoer, onaangepast en wreed. Van der Haar registreert dat knap in korte, beeldende scènes, maar verliest de voortgang van het verhaal uit het oog. Vikki wordt door de herhaling steeds vervelender, waardoor je als lezer steeds minder begrijpt van wat de ik-persoon zo geweldig aan haar vindt. ‘Vikki haat alles’, heet het algauw. En Vikki claimt: ‘Het moet gewoon jij en ik blijven. Punt.’ Hoe origineel haar geest is, hoe leuk en aantrekkelijk, blijkt wel uit de briefjes die ze in de bus van de hoofdpersoon stopt: ‘Bedankt dat je net bij me was, alhoewel als je dit leest moet je „net” veranderen in „gisteren”, terwijl ik dit NU schrijf en jij „net” (voor jou écht net en voor mij NU „morgen”) waarschijnlijk ook wel weer bij me bent geweest. Of niet?! Leuk hè? Veel liefs, je Vikki.’

Het wolfgetal leest alsof je scrollt door de selfies van twee vriendinnen

Ook met deze vriendschap gaat het mis, maar de spanning vloeit voortijdig weg. Van der Haar neemt te veel ruimte om alles breed uit te meten. Daarbij helpt het ook niet dat er zinsneden uit een forensisch rapport tussen de hoofdstukken door staan, waardoor je al weet wat er gaat gebeuren. Het verhaal wikkelt zich naar verwachting af, zonder, zoals bij Messud, vraagtekens te plaatsen bij deze eenzijdige weergave. Wat er met Vikki mis is en gaat, heeft veel te maken met haar moeder – zweverig en aan de drank.

Magisch denken

Net zo’n moeder hebben de meisjes in Mirthe van Doorniks Moeders van anderen. Ook in stijl is dit debuut verwant aan Het wolfgetal. Van der Haar en Doornik, beiden geboren in 1982, kozen voor de tegenwoordige tijd. Dit geeft een opsommend staccato aan hun verhalen. Van Doornik: ‘Met één oog neem ik de slaapkamer in me op. De wereldkaart boven mijn bureau, het afgescheurde behang, het gezicht van Kine die inmiddels weer rechtop is gaan zitten. Ze spreidt haar vingers. Er loopt een spin door haar kamer.’ Toch verrast Van Doornik meer. Haar verhaal wordt beurtelings vanuit Kine en Nico verteld, en loopt van 1997 tot 2014. Nico is de sterke van de twee. ‘Gelukkig weet zij altijd wat we moeten doen’, stelt haar zusje aan het begin van het boek. Want Nico kan de wereld met vlammen beschieten, recht uit haar ogen. Wanneer Nico zelf aan het woord komt, blijkt echter hoe angst haar regeert. Steeds meer, steeds heviger, vooral nadat hun huis bijna uitbrandt. Bij een glas water is haar eerste gedachte: ‘Iemand kan daar gewoon iets in doen, ons op die manier in één keer vergiftigen.’ Terwijl Kine doorgroeit en weet te ontsnappen, wordt de grote stoere zus steeds kleiner. Ze tracht het op akkoordjes te gooien met het lot door magisch te denken, en door feitenkennis. Door alles te weten van reëel bestaande rampen valt nieuwe ellende wellicht te voorkomen. Ook hier doen Van Doornik en Van der Haar hetzelfde: het ‘sterke’ meisje dist de gruwelijkste feiten op. Verkolen, bij de een, of verzuipen, bij de ander: ze weten er alles van.

‘Meisjes zijn het allermooist op aard’, zong Raymond van het Groenewoud. Met die mythe rekenen deze drie boeken af. Messud denkt door waar de anderen stoppen. Haar roman gaat uiteindelijk over meer dan de band tussen twee meisjes. Haar echte thema is de onmogelijkheid iets weer te geven, te delen en te bevatten: ‘De enorme, ongrijpbare vloedgolf van gebeurtenissen en emoties die ons leven komt binnenrollen en ons vervolgens onderdompelt, proberen we door een trechter heen te loodsen naar een gesimplificeerd relaas, een eenvoudig verhaal dat we voor waar houden. Bijvoorbeeld: ik ben dol op avocado maar ik haat spruitjes.’

We construeren ons verleden en kijken tevreden naar het plaatje, of naar het boek: zó is het om een jonge vrouw te zijn.

    • Judith Eiselin