Nerveus als een hysterische vrouw

Deze week overleed de laatste Franse veteraan van de Eerste Wereldoorlog. Twee nieuwe studies analyseren de eerste bloedige weken van deze lange strijd.

‘Oppy Wood, 1917, evening’, een schilderij van John Nash in het Imperial War Museum in Londen Uit ‘The War Poets’ van Robert Giddings.

Jeff Lipkes: Rehearsals. The German Army in Belgium, August 1914. Leuven University Press, 815 blz. € 49,50

Alan Kramer: Dynamic of Destruction. Culture and Mass Killing in the First World War. Oxford University Press, 434 blz. € 33,–

De Duitse inval in West-Europa leidde in het voorjaar van 1940 tot heel verschillende reacties onder de bevolking van de binnengevallen landen. In Nederland reageerde men in het algemeen kalm; er was een groep waar de angst direct toesloeg en dat waren de joden. Maar in Frankrijk en België sloegen respectievelijk acht en twee miljoen burgers (in beide landen eenvijfde van de bevolking) in paniek op de vlucht voor de binnenvallende Duitse troepen. De herinnering aan de bloedige eerste maanden van de Eerste Wereldoorlog was genoeg om meteen je koffer te pakken. Dat bleek achteraf niet nodig, want de Duitse strijdkrachten gedroegen zich deze keer buitengewoon gedisciplineerd.

In de terugblik op de Eerste Wereldoorlog zijn de massale slachtingen in de loopgravenoorlog dominant geworden. Dat ook burgers het in ’14-’18 zwaar te verduren hebben gehad, is veel minder bekend. De bloedige augustusmaand van 1914 is een uitzondering, mede dankzij de klassieker The Guns of August (1962) van Barbara W. Tuchman. Hierin beschrijft zij gedetailleerd de gebeurtenissen in de openingsmaand van de oorlog, inclusief de Duitse opmars in België en Frankrijk.

Op 4 augustus 1914 overschreden Duitse troepen om negen uur in de ochtend de Belgische grens. Tot hun verbazing en ergernis stootten zij al meteen bij Luik op fel verzet van de Belgische strijdkrachten. De bevolking van België zou zwaar boeten voor de onvoorziene vertraging van de Duitse opmars. Deze ging vanaf de eerste dag gepaard met excessief en grootschalig geweld tegen burgers. In totaal werden in de maanden augustus en september zo’n 5.500 Belgische burgers, onder wie vrouwen en kinderen, door de Duitse troepen vaak op brute wijze vermoord. Steden en dorpen werdenmet de grond gelijk gemaakt. De verwoesting van Leuven, inclusief de beroemde universiteitsbibliotheek op 25 augustus, was een dieptepunt dat destijds veel aandacht kreeg in de internationale pers.

Babyhandjes

De geallieerde propaganda en de geruchtenmachine die in oorlogstijd nu eenmaal overuren maakt, wisten wel raad met de Duitse wraakacties. Aan de reële gruwelen werden overdrijvingen en verzinsels toegevoegd. Babyhandjes zouden zijn afgehakt en soldaten gekruisigd. De Duitsers op hun beurt rechtvaardigden hun optreden door te wijzen op de aanwezigheid van franc-tireurs – vrijschutters. Belgische burgers zouden zich als verraderlijke sluipschutters in de strijd hebben gemengd. De executies van burgers waren eenvoudigweg vergeldingsacties.

Wat zich in België en Noord-Frankrijk in deze eerste maanden van de oorlog nu precies heeft afgespeeld en vooral waarom, is lang onduidelijk en betwist gebleven. In 2001 boden de Ierse historici John Horne en Alan Kramer in German Atrocities 1914 – A History of Denial een overtuigende analyse van niet alleen de dramatische gebeurtenissen, maar ook de strijd erover tijdens de oorlog en in de daaropvolgende decennia. Na zorgvuldig onderzoek in gepubliceerd en ongepubliceerd bronnenmateriaal van Belgische en Duitse zijde stelt het duo categorisch dat er geen sprake was van collectief verzet of militaire handelingen door franc-tireureenheden. Zij wezen erop dat zich van de onervaren Duitse troepen een soort spontane collectieve paranoia had meester gemaakt. De Duitse soldaten (‘ zo nerveus als een hysterische vrouw’, schreef de Britse journalist en schrijver propagandist John Buchan in 1917) waren geobsedeerd door het idee dat de burgerbevolking hen met alle mogelijke middelen bestreed. Hiermee verspeelden zij in Duitse ogen het recht als burgers te worden ontzien.

Met zijn lijvige Rehearsals – The German Army in Belgium, August 1914 bestrijdt de Amerikaanse historicus Jeff Lipkes, wiens eerdere publicaties betrekking hebben op economische onderwerpen, de visie van Horne en Kramer. In zo’n 500 bladzijden behandelt hij hoe de Duitse troepen in augustus 1914 huishielden in Luik, Aarschot, Andenne, Tamines, Dinant en Leuven. Op een nogal gefragmenteerde manier – hij spreekt zelf van ‘vignetten’ – laat Lipkes een onvoorstelbare hoeveelheid ‘incidenten’ de revue passeren, waarbij hij zoveel mogelijk ooggetuigen vaak erg royaal aan het woord laat.

Gezien de ernst van de zaak klinkt het al gauw oneerbiedig, maar na een paar hoofdstukken dringt de vraag zich op wat de meerwaarde is van het zo uitvoerig berichten over de gebeurtenissen in deze bloedige augustusmaand. Wanneer je als lezer uitgeput aankomt bij de laatste drie hoofdstukken, blijkt eigenlijk dat Lipkes nu pas ter zake komt. Er was niets spontaans aan het brute gedrag van de Duitse militairen, stelt hij. De legerleiding droeg de troepen op genadeloos hard op te treden tegen de burgerbevolking om zodoende de opmars zo ongehinderd mogelijk te kunnen voortzetten.

Bewijzen voor zijn stelling zijn louter afkomstig uit Belgische ooggetuigenverslagen en daarom niet geheel en al overtuigend. Het bronnenprobleem aan Duitse zijde – het archief van de Generale Staf en van het Pruisische Leger zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels vernietigd – heeft Lipkes ‘opgelost’ door het dan maar helemaal zonder te doen. Zo gemakkelijk hebben Horne en Kramer zich er niet van afgemaakt. Voor hun German Atrocities hebben zij het ontbreken van dit materiaal gecompenseerd door gebruik te maken van stukken uit andere Duitse archieven, van de archieven van niet-Pruisische eenheden van overige legers die deelnamen aan de inval in België en ten slotte van materiaal dat zij vonden in het KGB-archief in Moskou (dit was in 1945 door de Sovjet-troepen buitgemaakt).

Duitse bronnen

Dat Lipkes geen Duitse bronnen heeft gezien, verhindert hem niet met een diepere verklaring te komen voor het Duitse gedrag. Die moet volgens hem worden gezocht in het gevaarlijke mengsel van militarisme, nationalisme en materialisme dat het Duitse keizerrijk kenmerkte. Om een nauwelijks onderbouwde, laat staan uitgewerkte redenering kort samen te vatten: dit leidde tot een uitzonderlijke Duitse wreedheid, die omdat zij in het Interbellum onvoldoende werd bestraft, een vervolg kreeg in de Tweede Wereldoorlog.

Na Rehearsals is Dynamic of Destruction – Culture and Mass Killing in the First World War van Alan Kramer, een van de auteurs van het eerder genoemde German Atrocities, een verademing. In het eerste hoofdstuk behandelt Kramer het bloedbad in de herfst van 1914. Met superieur gemak en een mooie mengeling van beschrijving en analyse bespreekt Kramer de verschillende factoren die het bloedbad kunnen verklaren. Er was, stelt Kramer onder verwijzing naar German Atrocities, geen sprake van een vooropgezette Duitse strategie om de burgerbevolking te terroriseren en zo een snelle overwinning te boeken. In een enkel geval, zoals bij de verwoesting van Dinant, was er sprake van opzet en – anders dan Lipkes – onderbouwt hij dit met een duidelijk citaat uit een order van een Duitse generaal. De gruwelen in Leuven, Aarschot en Lunéville in Frankrijk, stelt Kramer, hadden hun oorsprong in de paniek die zich van de onervaren Duitse manschappen meester maakte.

Maar Dynamic of Destruction gaat over veel meer dan de Duitse inval in België en Noord- Frankrijk. Het biedt een culturele en militaire geschiedenis van Europa ten tijde van de Eerste Wereldoorlog met een vergelijkende en transnationale benadering. Met dit laatste bedoelt Kramer dat ‘percepties, gebeurtenissen en ontwikkelingen in de oorlog ontstonden door interactie tussen naties’. In acht thematische hoofdstukken beschrijft en analyseert hij wat hij ‘de dynamiek van vernietiging’ noemt die in Europa ten tijde van de Eerste Wereldoorlog werkzaam was en die alle oorlogvoerende landen dwong om steeds extremer op te treden. Wie serieuze belangstelling heeft voor de Eerste Wereldoorlog, zal dit boek dat zoveel wetenswaardigs biedt over delen van Europa waarover men in het algemeen veel minder leest dan over West- Europa, met rode oortjes lezen.

Kramer betrekt ook de jaren rondom de Eerste Wereldoorlog in zijn onderzoek. Zo bespreekt hij onder andere ook Italië, de Balkanoorlogen van 1912 en 1913 en de Turkse politiek tegenover de Griekse en Armeense minderheden. Op basis daarvan wijst hij zelfverzekerd de opvatting van de hand dat Duitsland het monopolie had op destructief optreden en dat fascisme en genocide voortkwamen uit politieke achterlijkheid en dominantie van een feodale militaire kaste in Duitsland. Al in de jaren 1911-1914, schrijft Kramer, werden veel van de ideeën van een militant nationalisme niet alleen in theorie ontwikkeld, maar ook in de praktijk uitgeprobeerd. Om te beginnen met de Italiaanse invasie van Libië en eindigend met de massale wreedheden die door alle partijen werden begaan in de Balkanoorlogen.

Tegenwoordig worden beide Wereldoorlogen steeds vaker beschouwd als één periode, als een ‘Tweede Dertigjarige Oorlog’ (Hans- Ulrich Wehler) of als een ‘age of catastrophe’ (Eric Hobsbawm). Kramer tekent in zijn conclusie bezwaar aan tegen deze concepten. De discontinuïteiten, vooral op het terrein van de internationale politiek en oorlogvoering, springen meer in het oog dan de continuïteiten. Nazi-Duitsland, fascistisch Italië en communistisch Rusland waren immers compleet andere regimes dan hun voorgangers. Vanuit het perspectief van de slachtoffers van beide oorlogen leek het misschien alsof de oorlogsmachine een dynamiek had ontwikkeld die door mensenhand niet meer tot staan kon worden gebracht. Tegen een dergelijke visie op de bloedige geschiedenis van de 20ste eeuw, waarin onpersoonlijke krachten worden waargenomen, komt Kramer terecht in het geweer. Want of we het nu leuk vinden of niet, de dynamiek van destructie was uiteindelijk mensenwerk.

    • Conny Kristel