Moeilijk tastbaar, behalve voor de gelovigen zelf

Waarom zouden gelovigen meer recht hebben niet gekwetst te worden dan anderen? Die vraag kwam gisteren aan de orde in de Tweede Kamer. „Uitzonde- ringen zijn niet nodig.”

Een provocatie van gelovigen die de vreedzame samenleving onder druk zet, of het eindelijk afschaffen van een oneerlijke extra bescherming voor christenen.

Het voornemen van een Kamermeerderheid om het verbod op godslastering uit het Wetboek van strafrecht te schrappen, verdeelde de politieke partijen gisteren langs de breuklijn van de religie. De orthodox-christelijke SGP, de ChristenUnie en het CDA beschuldigden de seculiere partijen in de Kamer die het verbod op godlastering willen afschaffen, van het nodeloos kwetsen van gelovigen.

De extra bescherming voor hun gevoelens die het verbod op godslastering gelovigen biedt, zijn voor PvdA, SP, VVD, D66 en GroenLinks de belangrijkste reden het artikel 147 uit de wet te schrappen. Waarom zouden gelovigen meer recht hebben niet gekwetst te worden dan anderen? „Meningen zijn meningen, uitzonderingen zijn niet nodig”, zei Kamerlid Boris van der Ham (D66).

Geloof is juist meer dan een andere mening, probeerden de christelijke woordvoerders uit te leggen. Daarom raakt godslastering gelovigen dieper dan een normale belediging. Kamerlid Sybrand van Haersma Buma: „Godlastering is moeilijk tastbaar, behalve voor degene die het raakt. Die weet het heel goed.” SGP’er Kees van der Staaij: „Wie niet gelovig is, kan niet zo worden gekwetst.” Kamerlid Ed Anker (ChristenUnie): „Voor gelovigen is de transcendente heilige factor echt een oorsprong. Ongelovigen beroepen zich in ieder geval niet op iets heiligs.”

Juist die benadering leverde bij de andere partijen problemen op. Want wie bepaalt dan wat heilig is, wilde Van der Ham weten. Waarom zouden alleen christenen die bescherming verdienen, vroeg SP’er Jan de Wit. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie las hij immers dat de bedoelde god de christelijke was. Volgens CDA’er Van Haersma Buma gold het verbod voor de opperwezens van alle monotheïstische godsdiensten, maar viel er met hem zeker te praten over uitbreiding ervan.

Verschillende Kamerleden wezen erop dat de bescherming die de christelijke partijen in het verbod op godslastering zien, door de strenge jurisprudentie een wassen neus is geworden. Het artikel – in 1932 ingevoerd door de grootvader van minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken, CDA) – is sinds 1968 niet meer gebruikt. Toen oordeelde de Hoge Raad dat schrijver Gerard Reve zich niet schuldig maakte aan godslastering toen hij in een bundel reisbrieven beschreef hoe hij seks had met God in de gedaante van een ezel.

Daarna lag het artikel jarenlang op de plank. Tot de moord op filmmaker Theo van Gogh (2004). In de nasleep daarvan wilde Donner, toen nog minister van Justitie, het tot leven te wekken. Hij bereikte het tegendeel: al snel pleitte een Kamermeerderheid voor afschaffing. Dat plan werd toen in de koelkast gezet, in afwachting van wetenschappelijk onderzoek dat de Kamer gisteren besprak.

Wat er nu precies gaat gebeuren, blijft onduidelijk. Hoewel de PvdA ook voor afschaffing is, moet de regeringspartij voorzichtig opereren. Coalitiepartners CDA en ChristenUnie werden tijdens het overleg al door de SGP voor het blok gezet. Was het beschermen van de goede naam van God belangrijk genoeg om de coalitie op het spel te zetten? De CDA en ChristenUnie meenden van niet. Net zoals PvdA’er Ton Heerts het niet nodig vond het artikel per direct af te schaffen. Die houding leverde hem de hoon van de oppositie op.

Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) zocht naar een middenweg. Hij is niet voor afschaffing, want bescherming van wat mensen „ten diepste beweegt” vindt hij heel belangrijk. Maar hij is wel bereid te onderzoeken of het verbod niet kan worden uitgebreid om bescherming te bieden aan andere levensbeschouwingen. „Er is geen enkele reden om Allah er buiten te houden.”

    • Derk Stokmans