Kamer wil verbod op godslastering weg

Het verbod op godslastering moet uit het strafrecht verdwijnen. Het verbod is overbodig, en is door jurisprudentie in de praktijk onbruikbaar. Dat vindt een meerderheid van de Tweede Kamer, zo bleek gisteren tijdens een overleg.

Maar wanneer het verbod (artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht) wordt geschrapt, is onduidelijk. Coalitiepartij PvdA, een van de voorstanders van schrappen, wil het kabinet niet onder druk zetten om direct een eind aan de bepaling te maken. De coalitiepartners CDA en ChristenUnie zijn juist wel grote voorstanders van het verbod op godslastering. Ook het kabinet wil het verbod handhaven.

SP, VVD, GroenLinks en D66 – die van het verbod af willen – bekritiseerden de PvdA omdat deze partij het aan het kabinet overlaat om het juiste moment te kiezen. Ze vinden het oneerlijk dat gelovigen een extra bescherming krijgen die voor mensen zonder geloof niet bestaat. „Voor de wet is iedereen gelijk”, zei SP-Kamerlid Jan de Wit. „God hoort niet thuis in het recht en de politiek.” Ook zou uit de jurisprudentie blijken dat het artikel alleen betrekking heeft op de christelijke god, en daarmee ook uit de tijd is.

Volgens de orthodox-christelijke partij SGP is het voornemen de bepaling te schrappen een „provocatie” van gelovigen.

Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) wil het verbod „niet overboord kieperen”. Volgens hem is het een belangrijk symbool, en kan het nog een functie hebben. „De samenleving moet beschermd worden tegen uitspraken die afbreuk doen aan hetgeen mensen ten diepste beweegt”, zei hij.

De minister stelde voor te onderzoeken of artikel 147 ook gebruikt kan worden om het belasteren van andere „levensbeschouwelijke overtuigingen” dan alleen het christendom te bestraffen.

Moet het verbod op godslastering verdwijnen? Discussieer mee: nrcnext.nl/opinie