Je laatste lezer verraadt je

Julian Barnes hoopte voor zijn dood te horen hoeveel pagina’s hij nog te leven had. Op dat vonnis heeft hij niet gewacht: hij heeft zijn boek over doodsangst nu al af.

Julian Barnes Foto TF1-programma Vol de Nuit British writer Julian Barnes discusses his most recent novel, "Arthur and George," on Monday, Jan. 30, 2006, during an interview in a New York hotel. (AP Photo/Kathy Willens) Associated Press

Julian Barnes: Nothing to Be Frightened of. Jonathan Cape, 256 blz. € 27,99. Een Nederlandse vertaling verschijnt komende herfst bij Atlas

De Franse criticus Charles du Bos noemde het Le réveil mortel: het beslissende moment waarop plotseling tot je doordringt dat ook jij sterfelijk bent. Julian Barnes overkwam het toen hij veertien was. In zijn nieuwste boek, Nothing to Be Frightened of, schrijft hij over de doodsangst die daar het gevolg van was en die hem nooit meer heeft verlaten. ‘Dit is niet mijn autobiografie’, waarschuwt hij, maar dat belet hem niet zijn overpeinzingen over dood en sterfelijkheid te illustreren met verhalen over zijn jeugd en zijn familie, waarbij hij veel aandacht besteedt aan de laatste levensjaren van zijn ouders.

Nothing to Be Frightened of is een lang, meanderend essay zonder hoofdstukindeling. Alle paden en zijpaden komen uit bij de dood, of het nu is via persoonlijke herinneringen, gesprekken met vrienden of toepasselijke citaten uit het werk van Franse schrijvers als Flaubert en Renard. De titel van het boek klinkt geruststellend, maar dat is schijn. Barnes geeft zelf aan dat je ook kunt lezen: ‘Nothing – to be frightened of’, met andere woorden: het angstwekkende niets dat na de dood op ons wacht. Nou ja, niet op ons, want wij zijn er dan niet meer, en dat is nu juist het probleem. De eerste regel van het boek luidt dan ook: ‘Ik geloof niet in God, maar ik mis hem’.

Barnes is niet religieus opgevoed, en het gemis is vaag: hij mist iets wat hij nooit heeft bezeten. In wezen is hij een romantische melancholicus, maar gelukkig heeft hij een oudere broer, een filosoof, die blijkbaar meeleest en Barnes’ ontboezemingen van nuchter commentaar voorziet. Zijn oordeel over de eerste regel van het boek: ‘Klef.’

Die broer verlevendigt het boek aanzienlijk en is een mooie literaire vondst: je deelt je als schrijver op in een sentimentele en een prozaïsche helft, om vervolgens je ideeën te toetsen door met jezelf in discussie te gaan. Het is dan ook bijna een teleurstelling om te ontdekken dat deze broer echt bestaat. Hij heet Jonathan Barnes, was hoogleraar in Oxford, Parijs en Genève, en schreef een boek over Aristoteles dat ook in het Nederlands is vertaald.

Als je verderop in het boek leest dat hij ergens op het Franse platteland woont, zes lama’s heeft en zo nu en dan rondloopt in een 18de-eeuws kostuum dat zijn dochter voor hem heeft gemaakt, begin je toch weer aan zijn bestaan te twijfelen, maar het lijkt niet erg waarschijnlijk dat alleen met het oog op de publicatie van dit boek al jarenlang sporen van een fictieve broer worden uitgezet.

Net als pijn is angst moeilijk te beschrijven. Je kunt het met veel uitroeptekens en indringende teksten proberen, maar je kunt de lezer ook beschouwen als een ingewijde met een levendig voorstellingsvermogen. Als hij zijn doodsangst beschrijft kiest Barnes – gelukkig – voor dat laatste. Hij legt het er niet te dik op. Daarom komt de mededeling dat hij het ’s nachts soms uitschreeuwt van wanhoop des te harder aan. Toch vindt Barnes zijn angst normaal. Het ligt aan de dood, niet aan hem. Als hij ergens van af wil, dan niet van zijn angst, maar van de dood. Hij weet zelf ook dat dat niet gaat, maar van verzoening met het idee dat hij zal sterven is geen sprake.

Maar wat wil hij dan? Ergens noemt hij een hiernamaals waar je je bijvoorbeeld met de grote schrijvers en filosofen kunt onderhouden, maar erg serieus klinkt dat niet, en bovendien heeft hij in het laatste hoofdstuk van A History of het World in 10½ Chapters uit 1989 al een niet al te aanlokkelijk beeld van zo’n hiernamaals geschetst.

Barnes is geen essayist die al schrijvend tot nieuwe inzichten komt. Hij speelt met veel gedachten, maar komt niet tot conclusies; het gaat hem duidelijk om het spel. Hij confronteert de lezer regelmatig met ‘wat zou je liever’-vragen. Zou je liever in één keer weg zijn, of lang van te voren weten dat je terminaal ziek bent? Zou je willen worden weggerukt terwijl je nog volop aan je naasten hecht, of zou je liever willen sterven in een toestand van onthechting?

Zelf koesterde hij ooit de fantasie dat een terminale ziekte hem nog net genoeg tijd zou schenken om een laatste boek te schrijven, dat dan over de dood moest gaan. ‘Eerlijk zeggen, dokter, hoe lang heb ik nog?’ ‘Zo’n 200 pagina’s zou ik zeggen, 250 als je geluk hebt of een beetje doorwerkt.’ Barnes schrijft dat hij inmiddels ook wel weet dat het zo niet zal gaan, en daarom heeft hij besloten alvast aan het boek te beginnen voordat de diagnose gesteld wordt. Het is geen toeval dat Nothing to be Frightened of precies 250 pagina’s telt.

Het zou beter zijn geweest als de dokter uit Barnes’ fantasie een wat bescheidener aantal pagina’s had genoemd. Barnes lijkt geen afscheid van zijn onderwerp te kunnen nemen, alsof hij ondanks alles toch bang is dat zijn angsten verwezenlijkt zullen worden als hij de pen neerlegt. De verrassende invalshoeken van eerdere essayachtige boeken als Flaubert’s Parrot of het genoemde A History of the World in 10½ Chapters ontbreken helaas. Sommige passages over zijn aftakelende ouders zijn aangrijpend, en de geschetste rivaliteit tussen de opgroeiende gebroeders Barnes is herkenbaar voor iedereen die een broer heeft, maar andere familieanekdotes zijn onbeduidend.

Wel beschikt Barnes nog steeds over een leesbare, soepele stijl en soms schiet je als lezer in de lach, bijvoorbeeld wanneer de schrijver stilstaat bij het feit dat niet alleen hijzelf, maar ook zijn werk sterfelijk is. Hij stelt zich voor dat hij ooit ‘een laatste lezer’ zal hebben. Net als hij wat sentimentele gedachten aan die toekomstige literatuurliefhebber wil wijden, beseft hij dat zijn laatste lezer per definitie iemand is die zijn werk niet aan anderen zal aanraden. ‘You bastard!’ roept hij hem dan ook pissig toe. ‘Ben ik niet goed genoeg voor je?’

Toch hangt er een zekere matheid over het boek. Het ontbreekt aan een duidelijk conflict. Barnes lijdt aan angst voor de dood, maar omdat hij zijn angst terecht vindt, worstelt hij er niet mee. Misschien is dat het probleem; als lezer heb je meer aan een worstelende schrijver dan aan een lijdende. De enige spanning in Nothing to Be Frightened of speelt zich af tussen de twee broers, de melancholische schrijver en de pragmatische filosoof, en voor 250 pagina’s is dat te weinig.