Het is dat poezen geen Nederlands kunnen

Het onhandige met zieke poezen is dat hun ziekte meestal niet te diagnosticeren is. Je komt bij de dierenarts en je legt de problemen uit, bijvoorbeeld: ‘Ze geeft over, ze kan niet meer lopen, ze is incontinent en ze wil niet meer eten en drinken.’ (Dat zijn de klachten van mijn poes.) En dan zegt de dierenarts: ‘Ja, misschien heeft ze een ontsteking. Of kanker.’

Het is dat poezen geen Nederlands kunnen, anders zou het toch vervelend voor ze zijn. Stel dat je als mens elke keer dat je bij de huisarts kwam, te horen kreeg: ‘Ja, misschien is het een ontsteking. Of kanker.’ Daar zou je heel zenuwachtig van worden.

Mijn poes heeft sinds een paar dagen dus een ontsteking of kanker, en daarom zit ik alsmaar bij de dierenarts. Thuis heb ik inmiddels vier soorten medicijnen die ik haar moet geven. En niet een keer per dag, maar twee keer per dag, in allerlei kwarten en halfjes gesneden. Ik ben een slechte poezenmoeder, want ik geef haar lang niet alle kwarten en halfjes. Dat komt omdat zij mij (plots opvallend levenslustig) aanvalt als ik een stukje pil in haar mond probeer te proppen. Bij de dierenarts ziet het er makkelijk uit: kopje naar achteren, je vingers tussen haar tandjes zetten, en dan plop, het pilletje naar binnen duwen waarop zij het in een reflex doorslikt. Maar het is net zoals in zo’n kookprogramma waarin een tv-kok even heel makkelijk een boeuf bourguignon klaarmaakt: als je het thuis gaat nadoen is het een ineens heel ander verhaal.

Na een lange worsteling, waarbij zij mij hard krabt en ik aanhoudend tegen haar schreeuw ‘Maar het is GOED voor je!’, krijgt zij dan uiteindelijk een deeltje van een kwart van een inmiddels aan gort geknauwde pil binnen.

En dan moet ik haar ook nog dwangvoeding geven, speciale voeding voor zieke katten die niet willen eten, via een injectiespuit. Die spuit wordt al met net zoveel enthousiasme door haar begroet als de pillen.

Ik opperde bij de dierenarts dat ze misschien geen dwangvoeding hoefde – ik eet ook niet als ik ziek ben – maar hij zei dat katten altijd moeten eten, in tegenstelling tot honden. ‘Honden kunnen heel lang zonder eten, omdat ze afstammen van de wolf. Maar katten niet.’

Had ik maar een hond.

Of een wolf.

Zonder infectie. Of kanker.

Lees alle columns van Aaf op nrcnext.nl/aaf

    • Aaf Brandt Corstius