Elektronisch meten biedt eerder gemak dan precisie

Waarom nog handmatig meten? De moderne klusser heeft een elektronische afstandsmeter. Maar voor de precisie is het niet nodig.

Prijsverschil tussen de meters van Stanley en Bosch doet recht aan het kwaliteitsverschil Foto Jaime Halegua Halegua, Jaime

Net als studenten aan de pedagogische academie en journalisten kunnen veel klussers slecht rekenen. Wordt een pabo-student daar pas na jaren op aangesproken en de journalist doorgaans de volgende dag, de doe-het-zelver wordt altijd onmiddellijk met zijn falen geconfronteerd. Een plank te kort afgezaagd? Te weinig materiaal voorhanden? Ergernis is het gevolg. En je kan niemand anders de schuld geven.

Wellicht verklaart dat de opmars van het geavanceerde rekentuig in de bouwmarkt. Naar duimstokken en rolmaatjes moet je zoeken, de elektronische afstandsmeters dringen zich metershoog renderende schapruimte lang op.

De essentie van de elektronische afstandsmeter is dat-ie afstanden meet én berekeningen uitvoert. Meet een lengte en een breedte, en je kan direct een oppervlakte uitlezen. Doe er een lengte bij en, voilà, daar is het volume. Ook mooi: je hebt geen trap meer nodig om hoogtes te achterhalen.

Het Product-testteam voorziet zich van twee exemplaren. De Bosch PLR 30 is zo’n beetje de top van de consumentenmarkt, althans wat z’n adviesprijs betreft: 127,81 euro. De bouwmarkt biedt ’m voor 119,90 euro aan, op internet staat-ie voor 109 euro. Aan de andere kant van het spectrum staat de IntelliMeasure van het gerenommeerde merk Stanley, dat diep afgedaald is om de consumenten te behagen. Dit apparaat (adviesprijs 35,97 euro) bood bouwmarkt Praxis onlangs voor 24 euro aan.

Het prijsverschil doet recht aan het kwaliteitsverschil. De Stanley meet met ultrasoon geluid, en dat heeft belangrijke nadelen tegenover de lasermeting van de Bosch. Ultrasoon geluid waaiert uit. Bij meting van de nokhoogte in de entree van het Product-lab geeft de Stanley 3,70 meter aan, terwijl de bundel geconcentreerd laserlicht van Bosch op 8,663 meter uitkomt. Dat verschil heeft alles te maken met de kroonluchter schuin boven het meetpunt. Waar de laserstraal zichtbaar royaal de lamp passeert, botst de ultrasone golf kennelijk.

Nog een nadeel van ultrasoon: de straal kan afketsen. Het apparaat, over een lengte van pakweg 7 meter iets naast een hoek gericht, meet ruim 9 meter. (Bij laser bestaat dat risico alleen bij spiegelende oppervlakken.)

Is zo’n grote afwijking nog simpel als fout te herkennen, anders wordt het zodra de millimeters tellen. Bosch meet afstanden tussen 20 centimeter en 30 meter met een afwijking van maximaal 2 millimeter. Stanley meet van 55 centimeter tot 12 meter en tolereert een half procent marge. De mindere accuratesse van de Stanley wordt nog nadelig beïnvloed doordat de naad van de kunststof behuizing over de bodem van het apparaat loopt. Daardoor wiebelt het op een vlakke ondergrond, wat meten over de kortste afstand, volmaakt haaks op het gemeten object, een illusie maakt.

Onder ideale omstandigheden is overigens met de resultaten van Bosch en Stanley even goed te leven als met een zorgvuldige handmeting. De werkcellen waarin de PCM-directie haar journalisten opsluit, meten volgens Bosch 15,714 m3, volgens Stanley 15,76 m3 en volgens het rolmaatje van 3 euro 15,7323078 m3. Waarbij ter relativering dient te worden aangemerkt dat die laatste berekening door de journalist zelf is gemaakt.

    • Hans Wammes