Dylan-koorts: Pro

De film ‘I'm not there’ over het leven van Bob Dylan, verdeelt de geesten. Eerlijke visie op een originele traditionalist? Of pretentieuze scenario-ramp?

Richard Gere als Billy the Kid in ‘I'm not there’ van Todd Haynes scene uit de film I'm Not There (2007) FOTO: A-Film Richard Gere cowboys A-Film

Pro

Bob Dylan (66) is alweer jaren helemaal terug. Halverwege de jaren negentig werd de voormalige bard van de sixties nog straal genegeerd, en dan vooral door de voorhoede van zijn generatiegenoten die hem destijds tot heiland hadden gezalfd. De man zong zijn stembanden aan flarden in een ‘never ending tour’ langs kleine zalen, voor een vast publiek van excentriekelingen. In recensies werd hij neergesabeld als een reliek van een vervlogen tijdperk die inmiddels klonk als een ‘zeeleeuw met longemfyseem’, aldus een criticus, en in wiens rafelige voordracht en gitaarspel gaten vielen ‘groot genoeg om een stadsbus doorheen te rijden’.

Toen werd alles toch nog anders. Sinds zijn comeback met de cd Time Out Of Mind (1996) en zijn bijna-doodervaring na een aanval van pericarditis (schimmel rond het hart), is Dylan vrij plotseling opnieuw omarmd door de kritiek en de industrie: hij mág weer. En dus staat de grachtengordel weer vooraan bij zijn concerten in de Heineken Music Hall, al zijn die een stuk minder grillig, en dus oninteressanter, dan die uit zijn ‘verloren jaren’.

Dylan, leep als altijd, versmaadt de nieuwe roem niet. Hij laat zich charteren voor een mediamiek optreden bij de paus (Johannes Paulus II), leent zijn muziek voor jingles van het Londense busbedrijf dat de rijtijden verandert (The Times They Are A-Changing) en duikt op in lingeriereclames (Victoria’s Secret).

De film I’m Not There van Todd Haynes, die is ‘geïnspireerd’ op zijn leven en muziek, zou dus beschouwd kunnen worden als de zoveelste, late bevestiging van Dylans canonieke status. Het goede van deze film is dat regisseur Todd Haynes zich bewust is van de aantrekking en afstoting waar Dylan al zijn hele loopbaan mee te maken heeft, en die het zicht op zijn kunstenaarschap vertroebelt. Het schimmenspel van beeld en geluid, historie en hype, kunst en camp, is zelfs het thema van deze film, waarin de rol van Dylan in diverse stadia van zijn leven wordt vertolkt door zes acteurs, onder wie een vrouw (de magnifieke Cate Blanchett) en een zwarte schooljongen. De naam ‘Dylan’ komt in de hele film niet voor. Haynes is met dat spel van identiteiten schatplichtig aan Dylan zelf, die zich in zijn eigen, stomvervelende film Renaldo and Clara (1978) al eens liet spelen door de dikke, bier drinkende countryzanger Ronnie Hawkins, terwijl hijzelf ‘Renaldo’ vertolkte. Dat was een pseudodiepzinnige poging tot zelfmystificatie, maar in de handen van Haynes werken de maskerades opeens wél. Doordat de persoon naar de achtergrond verdwijnt, komt de kracht van de muziek naar voren, ook al door de kraakheldere soundtrack.

I’m Not There is daardoor geen eerbiedige aubade aan een popzanger, maar een dappere en goed geïnformeerde poging door te stoten naar de kern van de zaak: de Amerikaanse traditie van constante, persoonlijke en collectieve vernieuwing. Dylan zit dieper verstrengeld in de wortels van de Amerikaanse volksmuziek dan zijn blitse sixties-imago (‘vertrouw nooit iemand boven de dertig!’) doet vermoeden. Om dat duidelijk te maken, put Haynes nadrukkelijk uit de Dylan-bibliografie en vooral uit het werk van Greil Marcus, die de publieksschuwe zanger in Invisible Republic heeft neergezet als dat meest paradoxale wezen in de popcultuur: een originele traditionalist.

Ondanks zijn flirt met Victoria’s Secret is Dylan zo bezien het tegendeel van de generatie megasterren die in het kielzog van Madonna is aangetreden en die alléén maar leeft in het volle licht van de schijnwerpers: Britney Spears en verwante producten. Zij zijn kinderen van het monster waar Dylan zijn levenlang mee heeft geworsteld: de massaroem van de popcultuur.

Dat heeft Haynes goed gezien, en dat maakt zijn film waardevol. De paradox van zo’n aanpak is natuurlijk dat hij van Dylan onbedoeld tóch weer een Jezus-figuur maakt, een gekruisigde van de massacultuur die eigenlijk ‘alleen maar muziek wilde maken’. Dat is te onschuldig, want Dylan wist heel goed hoe hij op trends en trivia moest inspelen, al groeide zijn succes hem dan uiteindelijk boven het hoofd.

Haynes ontloopt dat gevaar niet helemaal, en dan wordt zijn film pathetisch, al geeft hij er soms gelukkig een humoristische draai aan (zoals in de scène waarin Dylan en beatdichter Allen Ginsberg anno 1966 onder een crucifix staan en de zanger naar de Zoon Gods roept: „Doe eens iets uit je vroege periode!”). Ook blijven de jaren zestig zo toch nog de sleutel tot Dylans oeuvre, en zijn de minstens zo turbulente jaren zeventig in de film vooral decor voor persoonlijk drama (echtscheiding).

Dat neemt niet weg dat Haynes erin geslaagd is, een minder dan gebruikelijk ideologische en in artistiek opzicht eerlijker visie op leven en werk van Bob Dylan in film te vertalen – zelfs Richard Gere op een paard kan dat niet bederven.

    • Sjoerd de Jong