Duister

Wanneer ik voor de donkere rococofaçade van het Palazzo Doria Pamphili sta, is het alsof er vanaf de gevel een diepe nacht over me heen valt. Dit moet de donkerste plek van de stad zijn, al is het midden op de dag en sta ik meters verwijderd van een van de drukste winkelstraten in Rome. De façade is bedekt met roet van uitlaatgassen en vormt een duistere entree naar een van de meest uitzinnige tentoonstellingsruimtes die ik ooit heb gezien.

Dit paleis is van binnen als de verwezenlijkte droom van een maniakale verzamelaar. Schilderijen van Caravaggio, Titiaan en Tintoretto zijn zo dicht op elkaar gehangen dat ze een behang lijken te vormen. Zij aan zij, zaal na zaal hangen de meesterwerken, van vensterbankhoogte tot aan de hoge plafonds. De wanden achter de schilderijen zijn bekleed met beschilderde zijde en fresco’s en versierd met goud.

De onvoorstelbare dichtheid van de schilderijen geeft ze de schijn van luchtigheid want de meesterwerken hangen als ansichtkaarten op een ijskast aan de wand. Maar voor je het weet sta je oog in oog met de wrede paus Innocentius X, geboren als Giovanni Battista Pamphili, op een schilderij van Velazquez.

Sinds ik de brute interpretaties heb gezien die de schilder Francis Bacon vanaf 1951 op dit portret baseerde, kan ik niet naar de oorspronkelijke versie uit 1650 kijken zonder dat Bacons vervormingen er doorheen schemeren. Op het doek van Bacon is de zwarte achtergrond van de paus een verontrustende ruimte geworden. Hij schilderde witte verticale vegen door de voorstelling, als om deze door te krassen. De strepen vormen ook tralies die de paus omsluiten. De paus steekt niet meer mooi af tegen het donker zoals de in het rood gestoken paus van Velazquez, maar hij wordt in zijn purperen kleed door het donker verzwolgen. Hij heeft geen gezicht meer. Hij is een open gesperde bek. Toch zit hij nog stijfjes op zijn stoel. Met spetters op zijn witte schoot. Het lijkt op bloed. Deze vreemde verstilling van paniek is angstaanjagend.

Wanneer ik de gang in vlucht, valt het me op dat de bovenste rij van de schilderijen zo hoog hangt dat je er amper nog iets van kunt zien. Een schilderijtje, helemaal boven in een hoek, is als een zwart gat in de muur. Op een scheef gezakt bordje onderaan de gouden lijst kan ik nog net ontwaren dat het om nummer zestig gaat dat volgens de catalogus een werk is van Leonart Bramer (Delft 1596-1674) met de titel De schepping van Eva.

Nu ik wat langer in het goud omlijste zwarte gat staar, worden er vage contouren van een voorstelling zichtbaar. Ik weet niet zeker of ik het me verbeeld, maar links op het doek verschijnt de schim van een wit paard. Rechts daarvan staat een figuur die iets op het hoofd lijkt te zetten van iemand die knielt. Of is het paard een wit vrouwenfiguur? Afgaand op de titel zou ik wellicht een slapende Adam moeten kunnen zien, maar de schimmen vervagen en lijken nu meer op de witte strepen die Bacon in het zwart van zijn portret zette. Ik begin te verlangen naar een egaal zwart doek. Zonder schim, zonder spoor van Bacon. Maar de tralies zetten zich vast. Wanneer ik eindelijk buiten sta, regent het witte krassen tegen een zwarte hemel. Het donker van Bacon is overal.