De wraak is zout

In haar jongste roman zingt Charlotte Mutsaers de lof van Moby-Dick. Dit drama is nu opnieuw vertaald: een meesterwerk om in kleine hapjes te savoureren. Wat een water, wat een vet, wat een bloed!

Een opduikende walvis, ‘ artist’s impression’ Uit ‘Whales’ door Jacques Cousteau, Abrams, 1988

Herman Melville: Moby-Dick. Vertaald door Barber van de Pol. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 604 blz. € 39,95

‘Call me Ishmael’, sinds 1851 schalt dit over de aardkloot met zijn wereldzeeën. Wie zou een boek dat zo begint kunnen weerstaan.

‘Noem me Ismael’, van de klaroenstoot blijft in vertaling weinig over. Mij in plaats van me (met die klankloze stomme e) had misschien nog iets van de muzikaliteit kunnen redden. Maar zelfs dan gaat die in het Nederlands verloren. Niets aan te doen. Twee m-en achter elkaar levert machteloos gemurmel op.

Toch ben ik blij dat Moby-Dick in het Nederlands bestaat. Toen ik op mijn 25ste aan de originele versie begon, vond ik die namelijk veel te moeilijk en raakte ik ontmoedigd door de overdosis technische termen uit de walvisvaart. Daarna heeft het ruim tien jaar geduurd eer ik lust kreeg om me aan een vertaalde versie over te geven. Voorin mijn vergeelde exemplaar, een Amstelpocket in de vertaling van Emy Giphart, staat tenminste het jaartal 1979.

Het was een gebeurtenis. Nog steeds vond ik de technische uitweidingen te veel van het goeie – de walvisslachterij is iets anders dan de kunst van het motoronderhoud – maar ik herinner me goed dat ik het boek niet meer neer kon leggen eer ik het verslonden had. Sindsdien ben ik het blijven savoureren maar dan mondjesmaat en in het wilde weg bladerend.

Doet de verhaallijn er dan niet doe? Natuurlijk doet de verhaallijn er toe. Alleen, de kwaliteit van een boek laat er zich niet aan aflezen. Een verhaallijn, ook een schuimende, is qualitate qua zo eendimensionaal als een strak gespannen waslijn. Zodra je hem tot het einde toe gevolgd hebt, taal je er niet meer naar. Ik heb dan ook zelden aandrang gevoeld om een geliefd boek integraal opnieuw te lezen. Voor een meesterwerk dat jaar in jaar uit blijft boeien, dat generatie na generatie in een staat van vervoering brengt en met gemak de eeuwen trotseert, komt meer kijken. Pas buiten de verhaallijn immers schuilt de kwaliteit die tot herlezing noopt: in de vitale stijl, de verrukkelijke statements, de niet opzichtig geformuleerde filosofie, de rake beschrijvingen, de zogenaamde details, de klank, de bevlogenheid, de literaire verwijzingen, de onverwachte erotiek en de aard van de bijzondere personages. Wat dat betreft komt men in Moby-Dick niets tekort. Het is een ware universiteit in boekgedaante. Zo verwonderlijk is dat trouwens niet. Melville, die de walvisvaart uit eigen ervaring kende, laat de verteller zeggen: ‘Als ik ooit enige werkelijke faam zal verwerven in die kleine maar intens verzwegen wereld waar ik misschien niet zonder reden bij wil horen; [...] als bij mijn dood mijn executeurs, of liever mijn schuldeisers, enige kostbare manuscripten in mijn lessenaar vinden, dan schrijf ik hier bij voorbaat alle eer en roem toe aan de walvisvaart, want een walvisschip was mijn Yale College en mijn Harvard.’

Nu ik Moby-Dick vanwege de recente vertaling van Barber van de Pol toch maar weer eens in zijn geheel heb doorgenomen – wat een water, wat een vet, wat een bloed! – merkte ik dat de verhaallijn inmiddels wel erg ver in mijn onderbewuste was weggezonken. Zo was me zelfs ontschoten dat iedereen, de verteller uitgezonderd, aan het eind van het boek het loodje legt. Dat leek me nu ook weer de bedoeling niet. Daarom eerst nog even een korte opfrisser.

Het verhaal speelt grotendeels op zee en gaat over een heterogene verzameling walvisvaarders die zich door de fanatieke en wraakzuchtige kapitein Achab laat ophitsen tot een levensgevaarlijke onderneming: het doden van de witte superwalvis Moby-Dick. Het is een boek over wraak. Geen wraak die zoet is maar zout.

Vervolg op pagina 2

Moby-Dick: het boek als universiteit

Erg zout. Zouter dan duizend kilo zout in een open wond. Achab kookt van wraak omdat Moby-Dick hem ooit van een van zijn benen heeft beroofd. En Moby-Dick kookt van wraak op zijn bezeten wraaknemer.

Zoals bekend staan kokende wraakgevoelens garant voor ziedende hartstocht. Ze kunnen een mens derhalve een machtige drive bezorgen. Dat alleen al maakt boeken die stoelen op wraak uiterst aantrekkelijk. Desondanks bestaan er naar verhouding weinig westerse wraakromans, lang zo veel niet als romans over de liefde in elk geval. Een gevolg van het vergevingsgezinde christendom met zijn afkeer van de oog-om-oog en tand-om-tand-doctrine. In dit verband lijkt het me een teken aan de wand dat kapitein Achab door de tijd heen zowel met Hitler als Bin Laden (bien étonnés de se trouver ensemble) is vergeleken. Moby-Dick dateert uit het midden van de 19de eeuw. Konden de literatuurvorsers nu echt geen contemporaine iconen van het Kwaad opdelven? Of vonden ze alle 19de-eeuwers ontzettend brave borsten? Overigens verschillen wraakengelen evenveel van elkaar als vredesduiven.

Het boek bevat 135 hoofdstukken. Alleen al de, meestal zeer concrete, titels van die hoofdstukken vormen tezamen een epos om van te watertanden. Een greep: De plunjezak, De sprei, Een boezemvriend, Nachtpon, De ramadan, Waterzooi, Vrolijk kerstfeest, De masttop, Avondschemer, Vaste vis en losse vis, De naald, De Hoed, De reddingsboei, Kop of staart.

Nachtpon vormt sinds jaar en dag mijn lievelingshoofdstuk. Twee mannen in bed (‘Niemand slaapt graag met een andere vent in bed. In feite zou je er heel wat voor geven om niet eens het bed te delen met je eigen broer.’). Een van hen is een kannibaal, die ‘als vers uitgebroede wildeman vrij in de bossen van zijn land hupste in een rokje van gras’. Dat belooft wat. Maar niet wat men zou denken. Buiten het bed is het steenkoud. Onder de deken is het evenwel ‘intens gezellig’. En het blijft gezellig. Knusheid als sublieme erotiek. Alleen al vanwege dit hoofdstuk verdient het boek een ereplaats op de toptien van de gay-literatuur.

Mag het ook op de toptien voor de dierenliefhebber? Dat lijkt me stug voor een boek dat drijft van het walvisbloed. Aan de andere kant, het heeft een zeer diervriendelijk happy end. Moby Dick ramt met ‘het massieve witte stootblok van zijn voorhoofd’ het hele schip in stukken zodat alle beulen worden meegesleurd door de eeuwig golvende lijkwade van de zee. Verder bevat het boek uitspraken die koren zullen zijn op de molen van het dierenactivisme, zoals: ‘Ongetwijfeld gold ook de eerste mens die een os doodde als een moordenaar. [...] Ga op zaterdagavond eens naar de vleesmarkt en kijk naar de drommen levende viervoeters die omhoog staren naar de lange rijen dode viervoeters. Trekt die blik niet een tand uit een kannibalenkaak? Kannibalen? Wie is er geen kannibaal? Ik verzeker jullie: de dag des oordeels zal draaglijker zijn voor een Fijinees die een magere missionaris in zijn kelder ingepekeld heeft tegen een toekomstige hongersnood [...] dan voor jou, verlichte smulpaap, die ganzen aan de grond nagelt en smult van hun gezwollen lever, jij met je paté de foie gras.’ Pak aan, verlichtingsapostelen! Hier heeft zelfs de echte Voltaire niet van terug.

Tot slot nog iets over de vertaling. Barber van de Pol is een eersteklas vertaalster. Dat staat buiten kijf. Haar welluidende vertaling zit vol vondsten en leest als een trein. Maar de welluidende vertaling van Emy Giphart zit ook vol vondsten en leest niet minder als een trein. En wie weet, geldt dit voor de drie andere Nederlandse vertalingen ook. De vraag rijst dus: was dit allemaal nodig? Ik bedoel, als er reeds een of meer uitstekende vertalingen bestaan, waarom dan zoveel geld, tijd en energie verspild aan alweer een versie? Of verschaft een eigentijdse vertaling meer prestige? Of moet ik dit zien als een luxe vorm van herwaardering? Of moeten de subsidiegelden nu eenmaal worden verdeeld? Ik heb het probleem al vaker aangekaart en er nooit een behoorlijk antwoord op gekregen. Kijk, als een oude vertaling aantoonbaar rammelt en er aan de stijl van het origineel geen recht wordt gedaan, dan moet er natuurlijk meteen een nieuwe komen. Kleine fouten en vergissingen echter komen in elke vertaling voor. Zo gebruikt Barber van de Pol bijvoorbeeld het West- Vlaamse woord waterzooi voor een gerecht waar geen snippertje kip in zit verwerkt. Wie over dat soort dingen valt bij een werk van bijna 600 bladzijden is een kniesoor. Ook het te pas en te onpas aangevoerde argument dat het taalgebruik van een eerdere vertaling hopeloos zou zijn verouderd, heeft me nooit voldoende overtuigd. Van oude boeken raakt het taalgebruik sowieso verouderd. Dat gebeurt gewoon, ook in de moedertaal. Men gaat Couperus toch ook niet om de haverklap moderniseren? Thérèse Cornips voegde aan haar Proust- vertaling zelfs ouderwetse woorden toe (blauwborst voor pimpelmees) om de tekst juist meer in zijn tijd te situeren. Anne Stoffels ging zelfs zo ver te verkondigen dat het van oorsprong Amerikaanse woord baby niet thuis hoort in vertalingen van Oude Russen.

Gemak dient de mens. Ik neem aan dat de redactie van deze uitstekende Perpetua-reeks niet de tijd neemt om reeds bestaande vertalingen te collationeren. Ik neem aan dat hetzelfde geldt voor de geachte uitgever. Hoog tijd voor de zoveelste adviescommissie.

    • Charlotte Mutsaers