De magie van voorouderpalen

Bisj-paal (5,5 m.), Centraal-Asmat, Papoea Tropenmuseum 2008

Tentoonstelling Bisj-palen, een woud van magische beelden. Tropenmuseum, Linnaeusstraat 2, Amsterdam. T/m 13-04, dagelijks 10-17 uur. Inl.: www.tropenmuseum.nl, 020-5688200

Een dreigend bos van torenhoge boomstammen met uitgesneden boze gezichten. Het licht flikkert en ondoorgrondelijke oerwoud geluiden komen van alle kanten aanwaaien. Nog even en een zwaar hallucinerende Kolonel Kurtz zal met zijn bloeddoorlopen ogen achter een van de palen opduiken.

Voor de tentoonstelling Bisj-palen, een woud van magische beelden in het Tropenmuseum, is alles uit de kast getrokken om een wandeling langs 58 indrukwekkende geestenpalen tot een spannende multi-mediale ervaring te maken. Wie door het bos van voorouderpalen wandelt, krijgt het gevoel op de filmset van Apocalypse Now te zijn beland. Alleen worden deze indrukwekkende Bisj-palen, gesneden van wilde nootmuskaatbomen, gemaakt door de Asmat, een volk in de Indonesische provincie Papoea. De palen maken deel uit van een eeuwenoude ceremonie. Volgens de Asmat blijven geesten van recent gestorvenen in hun gemeenschap rondwaren. Door een overledene af te beelden in een Bisj-paal, wordt zijn dood gewroken en kan de geest de achtergeblevenen in alle rust verlaten.

De Bisj-ceremonie bestaat nog steeds, maar het bijbehorende koppensnellen behoort tot het verleden. Terwijl halverwege de jaren vijftig de Nederlandse koloniale overheid zich ging bemoeien met de pacificatie en de kerstening van de Asmat, werden de palen, uit angst voor het mogelijk verdwijnen van de houtsnijkunst, door wetenschappers en gouvernementsbeambten meegenomen. Vooral beroepsverzamelaar Carel Groenevelt (1899-1973) nam tussen 1951 en 1962 heel wat exemplaren mee die nu deel uitmaken van de Nederlandse collectie.

De Bisj-palen op deze expositie zijn afkomstig uit de collectie van het Wereldmuseum in Rotterdam, het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden en het Tropenmuseum in Amsterdam. Het is voor het eerst dat er zoveel uit Nederland zijn bijeengebracht. Dat maakt deze expositie bijzonder, bovendien zijn de tentoonstellingsmakers erin geslaagd om dit kleine onderwerp breder te trekken door middel van archiefmateriaal, filmpjes en foto’s.

Zo vertelt schrijver en bioloog Tijs Goldschmidt over zijn fascinatie voor de Asmat en wordt, op een nogal pijnlijk filmpje, het huidige toerisme in het Asmat-gebied getoond. Toch blijft de bezoeker ook achter met een aantal vraagtekens. Want hoe dubbel is het eigenlijk om een volk te willen kerstenen en tegelijkertijd hun creaties, die onlosmakelijk zijn verbonden met het ritueel van het koppensnellen, als op zichzelf staande kunstobjecten mee te nemen? En wat vonden deze koppensnellers nou echt van die blanke indringers?

De eigentijdse foto’s van de Asmat, gemaakt door fotograaf Wim van Oijen, geven geen antwoord op deze vragen. Maar de eerste zwart-wit beelden uit het Asmat-gebied, gemaakt rond 1900 en in de jaren vijftig, zijn ronduit intrigerend. Op een aantal schimmige foto’s staren Papoea’s vol verbazing de camera in. Alsof de fotograaf net met een ruimteschip is gearriveerd. Om nog maar niet te spreken van het huiveringwekkende beeld van een vooraanstaande Asmat man die triomfantelijk vijf schedels in de lucht houdt.

Het prikkelt de fantasie. Net als het verhaal van de Amerikaan Michael Rockefeller die gedurende een expeditie in 1961 op mysterieuze wijze in het Asmat-gebied is verdwenen. Wat er precies met deze telg uit de schatrijke Amerikaanse familie is gebeurd weet niemand. Omdat in 1961 het koppensnellen en kannibalisme nog steeds plaatsvond in sommige regio’s van Asmat, wordt beweerd dat de locale bevolking Rockefeller zou hebben vermoord en opgegeten. Anderen beweren dat hij is verdronken óf aangevallen door een krokodil. Duidelijkheid is er nooit gekomen. Maar het inspireerde schrijver en regisseur Christopher Stokes onlangs tot het schrijven van een kort verhaal dat werd opgenomen in de verhalenbundel Best New American Voices 2008. De titel? The Man Who Ate Michael Rockefeller.

    • Rosan Hollak