De hulp werkt de voedselrellen juist in de hand

Arme families krijgen in ‘Fair Price Shops’ korting op tarwe, rijst en suiker .

De hulp vult magen. Maar het lost de economische problemen niet op.

Dankzij de ‘Fair Price Shops’ en het uitgebreide netwerk van voedseldistributie dreigt in India geen massale hongersnood. Met prijskortingen schermt India de armen af van de woekerprijzen op de wereldmarkt. Foto’s Bloomberg A shopkeeper handles rice at a market in New Delhi, India, on Friday, Jan. 18, 2008. Dry weather in China, the largest producer of the grain, followed by India and Indonesia, may have curbed production and lead to reduced inventories, the USDA said earlier this month. Photographer: Adam Ferguson/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

Mangal Singh (40) is dagloner. Hij verdient de kost als huisschilder, maar vandaag heeft hij geen werk. Misschien kan hij nog wat bijklussen als trommelaar op een huwelijksfeest. Het is nu het trouwseizoen, zegt Singh, wijzend op een kartonnen bord langs de kant van de straat waarop hij zijn muzikale kwaliteiten aanprijst.

Veel brengt Singh niet binnen: als het mee zit misschien zo’n 2.300 rupee (37 euro) in de maand. Daar moeten hij, zijn vrouw en drie kinderen het mee doen. En dat wordt lastiger nu in zijn buurt, R.K. Puram in het zuiden van Delhi, net als overal in India, alles duurder wordt. Zij kopen minder groenten, zegt zijn vrouw, die naast hem in de buitenlucht zit op een charpoi, een met touw gevlochten bed op houten poten. Kaas en fruit zijn helemaal van het menu geschrapt.

Toch kan het gezin overleven, dankzij mensen als Om Prakesh (65). In zijn winkeltje, een zijstraat verderop, waar je ook snoepgoed en frisdrank kunt halen, kan het gezin elke maand 25 kilo tarwe, 10 kilo rijst en 6 kilo suiker kopen met hoge korting.

Met een krijtje heeft kruidenier Om Prakesh de prijzen op een schoolbord geschreven: tarwe 4,65 rupee (7,5 eurocent) per kilo, rijst 6,15 rupee en suiker 13 rupee. ‘Gewone’ klanten betalen meer: 11, 12 en 19 rupee per kilo voor hun tarwe, rijst en suiker.

Om misverstanden te voorkomen: kruidenier Om Prakesh met zijn dikke buik is geen filantroop die handelt uit naastenliefde. Hij krijgt zijn tarwe, rijst en suiker uit de voorraadschuren van de staat om die te verkopen aan mensen zoals Mangal Singh en zijn gezin. Hij krijgt commissie („twee procent”, zegt hij). En hij is ook niet de enige die dat doet. Verspreid over heel India zijn er bijna 480.000 winkeltjes zoals die van Om Prakesh. ‘Fair Price Shops’, worden ze genoemd, de basiswinkeltjes voor de miljoenen gezinnen waaraan de hoge economische groei voorbijgaat.

De door de overheid gesubsidieerde ‘Fair Price Shops’ zijn India’s ‘buffer’ om zijn weerloze onderklasse af te schermen van de grillen van de wereldmarkt, zegt de Italiaan Gianpietro Bordignon, hoofd van de VN-voedselorganisatie World Food Program (WFP) in India. Het belang er van is niet te onderschatten, zegt hij, want het gaat om ruim driehonderd miljoen mensen – meer dan een kwart van India’s bevolking – die zijn ingedeeld onder de armoedegrens die India voor het subsidiesysteem hanteert. Die grens, het absolute minimum, ligt op het platteland op 356 rupee (5,73 euro) per persoon per maand en in de stad op 538 rupee in de maand.

Mangal Singh, zijn vrouw en zijn drie kinderen blijven als gezin onder die norm. Zij behoren tot de armste families, die op vertoon van hun rantsoenkaart de meeste korting krijgen. Nog eens honderden miljoenen mensen komen in aanmerking voor iets minder korting of profiteren van speciale voedselprogramma’s, zoals gratis middageten op school. Dankzij de ‘Fair Price Shops’ en het uitgebreide netwerk van voedseldistributie dreigen in India geen massale hongersnood of voedselrellen op grote schaal.

Waterdicht is het systeem niet. Bij de ‘Fair Price Shop’ van Prakesh Agrawal (60), niet zo ver van de winkel van kruidenier Om Prakesh in Zuid-Delhi, kunnen kaarthouders goedkoop petroleum krijgen voor hun kookstelletje: voor 9,16 rupees per liter tegen 25 rupees op vrije markt. ‘Nee’, schudt Agrawal zijn hoofd op de vraag of hij het een goed systeem vindt. Hij wijst naar buiten waar een oude vrouw op straat loopt met een grote takkenbos op haar hoofd. „Veel mensen met een rantsoenkaart verkopen hun petroleum met winst door aan anderen die er eigenlijk geen recht op hebben. Zelf koken ze dan op houtvuur”.

Agrawal zegt niets nieuws. Het rantsoensysteem voor de armen is over heel India verspreid, maar de corruptie en de bureaucratie ook. Onderzoek van de overheid wees drie jaar geleden uit, dat 58 procent van het voedsel dat voor de armste gezinnen bestemd is daar nooit aankomt. Er is sprake van ‘onethisch handelen’. Ook de distributiekosten zijn vaak buitensporig hoog. Van elke rupee die de overheid aan een arm gezin besteedt, komt uiteindelijk slechts een derde aan hen ten goede.

Wegens ‘onethisch handelen’ braken afgelopen najaar in de door communisten bestuurde deelstaat West-Bengalen bloedige voedselrellen uit. De ‘Fair Price Shops’ waren door hun voorraden heen. Volgens de autoriteiten was er te weinig geleverd door de nationale regering. Maar de werkelijke oorzaak van de volkswoede, zo bleek, was corruptie. Sommige eigenaren van ‘Fair Price Shops’ verkochten hun waren met winst op de vrije markt.

Nog los van corruptie of ondoelmatigheid kleeft aan de ‘Fair Price Shops’ een fundamenteler probleem. De hulp vult wel magen, maar draagt niets bij aan de economische verheffing van de armsten en al helemaal niet aan de structurele verbetering van de landbouw. Nu de prijzen op de wereldmarkt torenhoog zijn, wordt dat pijnlijk zichtbaar. Om het gezin Singh maandelijks zijn rantsoen tarwe te kunnen blijven geven voor 7,5 eurocent per kilo, moet de regering bijleggen om de voorraden aan te vullen op de wereldmarkt. De voedselrekening loopt op.

Drie jaar geleden nog kon India tarwe en rijst exporteren, maar sindsdien is de productie achtergebleven bij de vraag en mag er niet meer worden geëxporteerd. Van exporteur is India weer graanimporteur geworden. Volgens Bordignon van het WFP is dat een dringend argument voor verbetering van de agrarische productiviteit in India – en niet voor afschaffing van de gesubsidieerde voedselvoorziening. Want de mensen onder de armoedegrens kunnen geen eten kopen tegen de marktprijs. „Die mensen kun je niet aan hun lot overlaten”, zegt hij.

India’s grootste probleem is dat de landbouwproductie door gebrek aan modernisering sinds de jaren negentig stagneert. De middenklasse groeit, maar de meerderheid van de bevolking is nog steeds afhankelijk van de landbouw. Zij gaan er, ondanks de hoge economische groei, niet op vooruit. „Dat is de echte crisis, en die is al heel lang gaande. En snelle oplossingen zul je niet vinden”, zegt Bordignon.

Voor Mangal Singh is dat niet zo’n gunstig vooruitzicht. Zijn vrouw bergt hun rantsoenboekje weer op, waarin met balpen krabbels staat aangegeven hoeveel graan, rijst en suiker ze al hebben gekregen. Ze moeten er erg zuinig op zijn.