Boetseren met DNA en sperma

De tentoonstelling ‘Design and the Elastic Mind’ in het MoMA laat zien hoe ontwerpers een brug slaan tussen geavanceerde technieken en het dagelijks leven. Dat levert onbehaaglijk design op.

‘Victimless Leather’ van Oron Catts en Ionat Zurr. De Australische kunstenaars laten in dit prototype celmateriaal op een kunststof drager in de vorm van een jasje druppelen. De drager vergaat vanzelf, en wat overblijft is een leren jasje waarvoor geen dier gedood hoefde te worden foto MoMA Design in MoMA Het New Yorkse Museum of Modern Art toont het design van de toekomst. Het doet onbehaaglijk aan. 6-7 MoMA

Over een zwart scherm zoeken helgele stippen hun weg. Ze spurten naar voren, ze aarzelen, ze slaan voortdurend hoeken om, alsof ze zijn opgesloten in een onzichtbaar doolhof. De camera zoomt uit, en in de stromen gele stippen wordt de structuur van het doolhof onthuld. Het is blijkbaar een rooster, een grid, een in vakjes verdeeld wegenpatroon.

De stippen zijn taxi’s, en ze rijden door de straten van San Francisco. Hun posities zijn ontleend aan de navigatiesystemen die ze aan boord hebben. Samen brengen ze de plattegrond van San Francisco in beeld. Meer nog: ze laten de hartslag van de stad zien. De stippen worden stromen tijdens de spitsuren, tijdens de rest van de dag vallen ze weer in stippen uiteen.

Cabspotting heet het project, een schepping van een collectief van Amerikaanse ontwerpers dat de beschikking kreeg over de data van de taxicentrale. Cabspotting laat iets zien wat anders onzichtbaar blijft: het ritme van een wereldstad, de wirwar van verplaatsingen waaraan talloze stadsmensen hun toevallige bijdrage leveren. Van een afstand bezien zit er in al die afzonderlijke taxiritten toch iets wat geen van die deelnemers beoogd had: orde, regelmaat, een patroon.

Cabspotting is daarmee een geslaagd voorbeeld van het ambitieuze doel van de tentoonstelling Design and the Elastic Mind in het Museum of Modern Art (MoMA) in New York. De tentoonstelling wil laten zien hoe ontwerpers een brug slaan tussen geavanceerde technieken en het dagelijks leven. Dat gebeurt met ruim 200 objecten en installaties, die allemaal balanceren op de grenzen tussen kunst, wetenschap, techniek en design. Tekeningetjes die duizend keer kleiner zijn dan een mensenhaar, een bloemenvaas die door bijen is gemaakt, een ring van je geliefde, gemaakt van zijn of haar botweefsel. Het is zo’n tentoonstelling waar de bezoekersrij steeds een object opschuift, waar je veel tekst moet lezen, en waar weinig voor zichzelf spreekt. Maar het is een belevenis, dat voelt iedereen die door de zalen schuifelt.

Het overkoepelende idee

is afkomstig van Paola Antonelli, conservator architectuur en design van het MoMA. Een elastieken geest en intelligent design zijn volgens haar vereist om het moderne leven te kunnen volgen. De elastieken geest omdat de veranderingen elkaar zo snel opvolgen, en het design omdat het ontwerpers zijn die de technische mogelijkheden in bruikbare toepassingen omzetten. Zonder ontwerpers, zegt ze, was internet niet veel meer dan een serie duistere computercodes. De grafische browsers – programma’s waarmee navigeren door internet een kwestie van klikken met de muis werd – hebben daaraan een einde gemaakt.

Cabspotting is eigenlijk net zoiets: ook een grafische verbeelding van een gecompliceerde werkelijkheid. Er zijn meer van die verhelderende visualiseringen te zien. Zoals een animatie die het telefoon- en internetverkeer van New York met andere delen van de wereld in beeld brengt. Londen is de helderste stip op die kaart, maar ook Bombay, Amsterdam, Peking, Bogota en Toronto lichten op als de tijdgrens over de wereldkaart schuift. Op een andere kaart is te zien dat Manhattan vooral met de grote economische centra in de wereld communiceert, en dat in de Bronx en in Queens vooral naar plaatsen als Bombay wordt gebeld en gemaild. Het zijn de bovenste en de laagste lagen die op wereldschaal met elkaar praten, is de moraal. De middenklasse praat vooral nationaal en lokaal.

Maar naast deze ontworpen overzichtelijkheid is er op de expositie ook veel te zien dat de wereld juist gecompliceerder maakt. Neem het beeldhouwen met moleculen. De Amerikaan Thomas Mason maakte een oneindige hoeveelheid fluorescerende lettertjes. Ze zijn zo klein dat er miljarden van in een waterdruppel passen: Alphabet Soup. Ze zijn handig, zegt Mason, om er bijvoorbeeld cellen mee te merken. De Israëlische ontwerper Oded Ezer kloonde spermatozoïden en voorzag ze van vormen die ook al van de boekdrukkunst waren afgekeken: Typosperma.

De Amerikaanse onderzoeker Paul Rothemund brengt strengen van een DNA-molecuul zover dat ze zichzelf vormen tot piepkleine objectjes, in de vorm van een smiley bijvoorbeeld, zo’n grijnzend computergezichtje. Als je er duizend naast elkaar legt, heb je de dikte van een mensenhaar. Met een andere set instructies liet hij DNA samenklonteren tot ruwe wereldkaartjes, waarin het miljardste deel van een meter (een nanometer) staat voor 200 kilometer in de werkelijkheid. Het bijzondere van dit nano-design is dat de moleculen zelf aan de slag gaan. In water opgelost botsen de strengen voortdurend op elkaar en assembleren zichzelf uiteindelijk tot de gewenste vormen. Ze zijn zo ontworpen dat ze alleen op bepaalde punten aan elkaar hechten, alsof ze voorzien zijn van kleine stukjes klittenband die alleen hechten aan een precies gedefinieerd ander stukje. Rothemund is aan de Amerikaanse topuniversiteit Caltech verbonden en voor hem is dit DNA-origami, zoals hij het plakken en vouwen van de DNA-strengen noemt, serieuze business. Op een dag hoopt hij er kleine en ultrasnelle computers mee te bouwen.

Het is een verstrekkend principe. Als ontwerpers erin slagen kleine stukjes dode of levende materie met een ingebouwde instructie de wereld in te sturen, hoeven ze alleen nog maar achterover te leunen om het resultaat te bewonderen. De tastbare werkelijkheid gaat zich dan volgens de algoritmes gedragen die de ontwerper in de afzonderlijke bouwstenen heeft geprogrammeerd. Een verf waarin na droging zonnecellen aan de slag gaan om elektriciteit te oogsten, waarom zou het niet kunnen? We weten, zegt de Canadese nanotechnoloog Ted Sargent in de catalogus bij de tentoonstelling, dat het principe van de gecodeerde zelf-assemblage kan werken: wijzelf zijn er het meest geslaagde voorbeeld van.

Je moet het Rothemund nageven:

die smiley en die wereldkaart zijn slim gevonden. De eerste boodschappen uit de wereld van het ultrakleine hebben zo iets geruststellends gekregen: geen territoriale claims, maar universeel uitgedragen goede bedoelingen. Rothemund laat zien dat het kan, en hij laat de wereld verder fantaseren: wat gaan we ermee doen?

Als er straks consumptievlees kan worden gemaakt door een paar cellen oneindig te klonen, hoe moet dat er dan uitzien? De Britse kunstenaar James King ontwierp plakjes als vreemd gevormde pannenonderzetters. Toch hebben ze nog iets vlezigs, en naast een stukje rode kool doen ze het heel goed. De Australische kunstenaars Oran Catts, Ionat Zurr en Guy Ben-Ary stelden zich de vraag: als varkens konden vliegen, hoe zouden hun vleugels er dan uitzien? Met stamcellen van varkens lieten ze in het laboratorium drie mogelijke oplossingen groeien: vleugels zoals die van een engel, een vleermuis of een pterosauriër. In een andere opstelling laten ze levende cellen druppelen op een kunststof matrix in de vorm van een klein jasje. Een leren jasje is het resultaat, en er hoefde geen dier voor gedood te worden. Met deze en andere projecten wijzen ze op de ironische kanten van het victimless utopia: er kan een klasse ontstaan van levend materiaal dat alleen in laboratoriumomstandigheden kan voortbestaan, en dat nog aan geen enkele wetgeving is onderworpen.

De mogelijkheden en de dilemma’s van de nieuwe biologie komen ook bij andere kunstenaars aan bod. Varkens komen daarin vaak terug, want ze zouden wel eens belangrijke voorraadschuren van reserveorganen kunnen worden. De Italiaanse ontwerper Elio Caccavale voorspelt een toekomst waarin mensen hun orgaandonoren niet aan de wreedheden van de bio-industrie blootstellen, maar ze liefdevol in huis opnemen. Hij ontwierp de noodzakelijke attributen voor dat samenleven: een rookfilter, zodat de mens binnenshuis kan roken zonder dat zijn varken er last van heeft, een intercom waarmee mens en varken contact met elkaar hebben ook als ze niet in dezelfde kamer zijn, en de losse varkensneus van plastic, afgegoten van het varken dat zijn taak heeft verricht en zijn organen geleverd heeft. Die neus kun je voor je gezicht houden en als je dan in de spiegel kijkt, zegt Caccavale, kun je „in het reine komen met de tegenstrijdige gevoelens die gepaard gaan met het hebben van een vreemd orgaan in je eigen lichaam.” In dezelfde categorie valt een toekomstige modegril waarin wimpers tot vele decimeters uitgroeien (Michael Burton), wenkbrauwen die voelsprietfuncties kunnen krijgen (Susana Soares) en het bosje haar van je moeder dat je als een mooie herinnering ergens op je arm kunt laten voortbestaan (Michiko Nitta).

Het is design van een onbehaaglijk soort,

design waar we nog niet aan toe zijn en dat gelukkig ook nog niet mogelijk is. Maar, zo lijken deze kunstenaars te zeggen: denk er vast eens over na. De schaamlipcorrecties, borstvergrotingen en liposucties van tegenwoordig zouden vijftig jaar geleden ook op flink wat walging hebben kunnen rekenen.

Er staan in het MoMA ook wel toepassingen die de meer gebruikelijke paden bewandelen, zoals de goedkope XO-laptop voor kinderen in ontwikkelingslanden, of een fles waarin water door zonlicht wordt gesteriliseerd, of een plastic bol waarin een plant de lucht zuivert. Of, ook een mooi en simpel voorbeeld: een lampion die je overdag buiten hangt en die ’s avonds binnenshuis voor licht zorgt omdat de kap van de lampion is bekleed met zonnecellen die inmiddels een kleine accu hebben opgeladen.

Maar ook hier proef je het engagement van de samenstelster. Ontwerpers, vindt Antonelli, hebben een speciale gevoeligheid voor de belangrijke veranderingen in de techniek, wetenschap en samenleving, en ze kunnen die veranderingen omzetten in bruikbare objecten en ideeën. Behalve vormgevers zijn ze dus ook steeds meer de interpretatoren van de tijd aan het worden, vindt ze.

Maakt ze dat ook aannemelijk?

Voor een deel zeker. De varkensattributen van Elio Caccavale hebben een zekere melancholieke meligheid, maar toch is hij een ziener. Het typosperma van Oded Ezer is nu nog grappig, maar ook hier zit de boodschap dicht onder de oppervlakte: straks is er nog veel meer mogelijk. De smiley van Rothenberger is een meesterzet.

Maar de interpretatieve kracht van de tentoonstelling zit vooral in het geheel, in de samenhang die is aangebracht. Daarbij kon Antonelli niet zonder een flinke portie vormgeversimperialisme: ze deelt nogal wat bij die discipline in. Het is misschien wel vormgeving wat hier te zien is, maar het zijn lang niet allemaal vormgevers die hun bijdrage leverden. Ze zijn van allerlei slag: conceptuele kunstenaars, grafische vormgevers, nano-fysici, biologen, computergeleerden.

Ook de theorie die Antonelli in het voorwoord van de catalogus van ze verlangt, is van dat imperialisme een voorbeeld. Ze zegt daar dat ontwerpers alleen de nieuwe ‘pragmatische intellectuelen’ kunnen worden waaraan in de huidige tijd zoveel behoefte is, als ze een „krachtige designtheorie” ontwikkelen. Het blijft duister wat die theorie zou moeten behelzen. Een algemene theorie over het vertalen van de tijdgeest in vormen? Een verzameling uitgangspunten voor maatschappelijke verantwoordelijkheid?

Het zou een bundeling vereisen van geesten die daarop helemaal niet zijn ingesteld. Bovendien, het zijn kwesties die inmiddels te belangrijk zijn om ze aan ontwerpers over te laten. Als Antonelli bedoelt dat we op de drempel van een nieuw tijdperk staan, en dat het zin heeft dat iedereen daar eens goed over nadenkt, dan heeft ze met deze tentoonstelling haar doel ruimschoots bereikt. We moeten die nieuwe werkelijkheid nauwlettend in de gaten houden.

Cabspotters, dat moeten we worden.

Design and the elastic mind. T/m 12 mei in het Museum of Modern Art, New York. Bij de tentoonstelling verschijnt een catalogus en een prachtige website: http://moma.org/exhibitions/2008/elasticmind/

    • Warna Oosterbaan