Vergeetboek

Er zijn ook boeken over ouderdom en vergeten die zelf ouder en, ten onrechte, vergeten worden. Door een toeval stuitte ik op zo’n boek: Wanneer is hier de tijd voorbij van Ingrid H. van Delft.

Ik sprak de schrijfster in een ander verband – voor een stukje over het werk van tekenares Riek Wesseling, destijds een vriendin van haar. We praatten ook over ouderdom en dementie, en toen ik wegging gaf ze me een boek mee dat ze in 1993 had gepubliceerd. Het bevatte interviews met demente ouderen. Het had destijds veel publiciteit en lof gekregen, waardoor de herdruk in 2006 nauwelijks meer aandacht trok. Toch was het boek er alleen maar interessanter op geworden, doordat ze die herdruk uitgebreid had met twee geschreven portretten: van haar moeder en haar man Koen.

Ik heb Wanneer is hier de tijd voorbij (uitgekomen bij Anthos en nog steeds verkrijgbaar) gefascineerd gelezen. Die interviews met demente ouderen kende ik niet, ze leken me ook een te groot waagstuk. Achteraf moet ik toegeven dat het Ingrid van Delft als geen ander gelukt is via de taal tot de wereld van de dementen door te dringen. „Hun uitspraken waren irreëel”, schrijft ze in haar inleiding. „En toch niet. Ze spraken onzin, maar toch vol zin.”

In de herdruk is het toegevoegde portret van haar man eigenlijk het langste en indringendste ‘interview’ van het boek. Wie wil weten hoe het is om met een dementerende partner te leven, kan geen beter boek lezen. (Kon ik het mijn vrouw maar cadeau geven als ik achteruit begin te gaan, maar ik vrees dat ik dan niet meer op de titel kan komen.)

De man van Ingrid van Delft was een tandarts in Amsterdam-Zuid. Hij was 48 jaar toen ze hem leerde kennen, 24 jaar ouder dan zij. Hij had al drie huwelijken met in totaal vier kinderen achter de rug. „Of ik van hem hield wist ik eigenlijk niet”, schrijft ze. „(...) Ik beschouwde Koen vermoedelijk meer als een vaderfiguur bij wie ik in vertrouwde handen zou zijn.”

Ze kregen, op haar aandringen, twee kinderen. Koen bleek een begaafde, maar uiterst moeilijke man. Hij was grillig, soms agressief en dronk bizar veel, vooral op de roeivereniging waar hij een centrale rol speelde. „Ik ging mee naar de wedstrijden (…)”, schrijft ze, „en zat soms ook aan de bar. Jaar in jaar uit. Met steeds meer tegenzin. Tot ik op een ogenblik dacht: is dit het nu? Is dit mijn leven; die vereniging? En die eeuwige drank?”

Het is goed als lezer deze voorgeschiedenis te kennen, want het geeft meer inzicht in de schrijnende laatste scènes van dit huwelijk. Terwijl hij nog tandarts is, begint zijn geheugen achteruit te gaan. Hij maakt grove vergissingen in zijn werk. Op den duur wordt hij zelf een patiënt, en ze kan dat, na al die zware huwelijksjaren, nauwelijks meer aan. „Ik was totaal leeg, hol, gestold, levenloos vanbinnen. Helemaal op (…) Hoe kan je iemand zo gaan haten die zelf ten einde raad is?”

Eind goed al goed? Nee, natuurlijk niet. Koen glijdt kansloos het grote vergeten tegemoet, maar zijn vrouw beseft dat ze die angstige, verloren man nu, juist nu, niet in de steek mag laten. „En er brak iets. De weerstand, de woede, de frustratie; ze zakten weg.”

Een boek dat in je herinnering blijft, als alles meezit.

    • Frits Abrahams