Ook de bakker moet innovatief zijn

Nederlandse bedrijven geven niet genoeg geld uit aan productvernieuwing. Mede daarom daalt Nederland op de Europese ranglijst van economische slagkracht.

Rob Raeven is koekjesfabrikant in Limburg. Maar deze week is hij niet in zijn bedrijf Nora in Gronsveld, deze week is hij in Japan. Daar bestudeert hij nieuwe ontwikkelingen, want Raeven is constant op zoek naar veranderingen in de markt. De consument vindt gezondheid steeds belangrijker en stelt hogere eisen, weet de fabrikant.

Raeven doet wat andere ondernemers in het midden- en kleinbedrijf in Nederland meer zouden moeten doen, zo bleek deze week op een symposium in Maastricht over voeding. Hij investeert in vernieuwing. Slechts 1,7 procent van het bruto binnenlands product (bbp) werd vorig jaar in Nederland uitgegeven aan onderzoek en ontwikkeling. Dat blijkt uit het jongste rapport van de Brusselse denktank Lisbon Council dat deze week werd gepubliceerd: ‘Banen en Groei in Europa in 2008, indicatoren van succes in de kenniseconomie’. De gebrekkige prestatie op dit terrein is een van de redenen waarom Nederland op de Europese ranglijst, die de denktank jaarlijks opstelt, van de vijfde naar de negende plaats is gedaald.

De meeste kleinere bedrijven en kennisinstituten vinden elkaar niet, bleek tijdens het symposium. Dat is een van de redenen dat in de koekjeswereld de afgelopen jaren tientallen fabrikanten zijn gestopt, omdat ze het moeten afleggen tegen multinationals als Unilever die honderden miljoenen in onderzoek steken. Maar Raevens familiebedrijf floreert omdat Nora er wel in geslaagd is aansluiting te vinden bij kennisinstituten zoals technologie-instituut TNO en voedingsspecialisten van de Universiteit van Maastricht.

Wat Unilever doet met zo’n tweeduizend onderzoekers, doet Raeven met een kleine ploeg van drie man.

Nederland zou veel meer ondernemers in het midden- en kleinbedrijf moeten hebben als Raeven, want volgens de Lisbon Council haalt het bij lange na de zogenaamde Lissabon-doelstellingen niet, die de Europese regeringsleiders zich hebben gesteld om van Europa in 2010 de „meest concurrerende en dynamische kenniseconomie in de wereld’’ te maken. Hoewel de initiatiefnemers hebben erkend dat ze dit doel niet zullen halen, hanteren de landen de doelstellingen bij hun beleid wel als maatstaf. En volgens deze doelstelling zou men jaarlijks 3 procent van het bruto binnenlands product in de ontwikkeling van nieuwe producten moeten steken.

„Nederland, maar ook andere Europese landen zullen fors in onderzoek en ontwikkeling moeten investeren om de achterstand op de koplopers als Zweden en Finland in te halen’’, zegt Michael Heise, topeconoom van bank-verzekeraar Allianz Groep, die het onderzoek heeft verricht.

Het achterblijven van investeringen op het gebied van innovatie is de achilleshiel van de 15 West-Europese landen en de 14 grootste landen (ook Polen) van de Europese Unie, die de Lissabon Council heeft onderzocht.

De denktank meet de economische prestaties van de landen op grond van zes indicatoren die de kennisindustrie moeten versterken: economische groei (doel 3 procent), productiviteitsgroei waarbij de EU steeds met wereldleider Verenigde Staten wordt vergeleken, werkgelegenheid (70 procent fulltime participatie), onderwijs en menselijk kapitaal (verhogen kwalificaties), toekomstgerichte investeringen (hoe wordt kennis van personeel omgezet in productieve investeringen) en duurzame overheidsfinanciën (balans begroting, overheidsschuld).

De terugvallende positie van Nederland is minder dramatisch dan de ranglijst doet vermoeden, licht Heise toe. Nederland is zwak op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. „Nederland staat er economisch comfortabel voor en heeft zijn economische positie gestabiliseerd. Alleen wisten andere landen hun positie sterk te verbeteren zoals Polen, Duitsland en Groot-Brittannië.’’

Polen wist economische groei en productiviteit beduidend te verbeteren, maar de werkgelegenheidssituatie blijft slecht en de werkloosheid hoog, aldus Heise. Duitsland heeft zijn positie dankzij de gunstige conjunctuur en economische hervormingen sterk verbeterd.

De tweede grote economie op het continent, Frankrijk, heeft de afgelopen vijf jaar aan economische kracht ingeboet. „Eigenlijk doet Frankrijk het op alle gebieden die we meten slechter’’, zegt Heise. „Maar de hervormingen op de arbeidsmarkt waarmee president Nicolas Sarkozy een begin heeft gemaakt wijzen in ieder geval in de goede richting.”

Economisch hebben de meeste Europese landen het vorig jaar goed gedaan, zegt Heise. Maar de prestaties zullen dit jaar overschaduwd worden door de kredietcrisis en de dalende conjunctuur. Daarom heeft de econoom een belangrijke boodschap: „Blijf op koers en gebruik de Lissabon-agenda om de economie verder te versterken. Landen moeten niet ophouden met sociale en economische hervormingen. Dat zou dramatische gevolgen hebben. Dan zijn alle bezuinigingen voor niets geweest.’’

Rapport van de Lisbon Council via nrc.nl/europa