Inderdaad, dit is een erotisch gedicht

Geen woord over lerarenstakingen, urennormen of slechte salarissen.

Vandaag het eerste deel: het vak Nederlands.

Illustratie Leonie Bos Bos, Leonie

In de pauze vragen Karolien en Malon van vwo-6C aan mij de lokaalsleutel. Samen met nog twee leerlingen hebben ze straks ‘poëziepresentatie’. Ze willen alvast de boel klaarzetten. Twintig minuten later staat de hele klas voor een dichte deur te dringen: we mogen nog niet naar binnen. Even later opent Malon de deur en Karolien begeleidt haar medeleerlingen en mij naar onze plaatsen. Het signaal is duidelijk: dit is geen presentatie, dit is totaaltheater.

Als we zitten draagt Paulien zonder introductie gedicht XV uit De Amsterdamse school van Lucebert voor:

overhandig mij brekend

je peilloze bloem je kus

als een dar dolzinnig drijf ik

op het aquarel van de dorst

van oe en a staat je ruimte

door mijn hijgen verzadigd

van stijgen en ademhalen

is opgestapeld mijn lichaam (…)

Ritmisch voorgedragen, mooi. De klas is onder de indruk. Ik ook. Dan vraagt Paulien: „Rogier, waar denk jij dat dit gedicht over gaat?” Rogier slikt. Hij valt stil en zegt dan: „Ja, over seks. „Heel goed Rogier, het is een erotisch gedicht”, zegt Karolien. Heel lichamelijk en provocerend in de jaren vijftig, legt ze uit. Allemaal correcte informatie en goed voor het cijfer. Het is een schoolexamen tenslotte. De leerlingen vervolgen met de technische bespreking en de interpretatie. Karolien en Paulien proberen het lastige gedicht van een logische betekenis te voorzien. Hun interpretatie is gegeven de moeilijkheidsgraad heel redelijk, maar de poging om het hele gedicht ‘kloppend’ te maken strandt. Misschien kan dat niet anders, bij Lucebert.

Lessen over poëzie. Op school geven we ze ook in havo-5, in vwo-4 en als ik zin heb in de brugklas. Dan dichten twaalfjarigen over hun lievelingsplek, of voor Valentijn. Als leraar zou ik zo gauw niet kunnen uitleggen waar dat goed voor is.

Andere vakonderdelen zijn wél aantoonbaar nuttig. Tekstbegrip komt aan bod omdat we willen dat leerlingen in staat zijn teksten op niveau, zoals de langere artikelen van deze krant, kunnen lezen. Het is een voorwaarde voor succes bij de vervolgstudies, waar ze zelfstandig complexe teksten moeten kunnen begrijpen en samenvatten. We zetten de leerlingen dus geregeld aan teksten met vragen. Die oefeningen zijn nodig – het eindexamen bestaat immers ook uit zulke teksten – maar weinig inspirerend. Nuttig voor school, maar minder nuttig voor het leven.

Beter is het om geregeld ook veel meer teksten minder intensief te lezen. Daarom laten we bij de leerlingen thuis twee weken lang een echte krant komen. In de brugklas De Gelderlander, in 3 havo een gemengd pakket en in 5 vwo nrc.next. Het huiswerk voor de leerlingen: iedere dag thuis twintig minuten de krant lezen. In de les praten we over het verschil tussen Spits en nrc.next en ik bespreek de ‘lastige woorden’ van die dag: consensus, dogmatisch, attaqueren. We doen het ontspannen, er komt geen proefwerk over deze stof. De krant is in 5 vwo ook nodig voor het argumentatiedossier dat ze aanleggen voor het debat. Een groep voor- en tegenstanders treedt in debat over een stelling, deze week: de 1040-urennorm moet worden afgeschaft. De jury luistert en wijst een winnaar aan. Ik zit achterin en geef uiteindelijk de cijfers. Levendige lessen zijn het.

Heel anders zijn de lessen‘werkwoordsspelling’ die ik op donderdagmiddag het 9de en 10de uur geef aan de vierdeklassers die nog moeite hebben met de ‘d’s en t’s’. Als ik in januari voor de eerste keer voor die groep sta open ik met de vraag: „Wie zit hier te balen?” Alle vingers gaan de lucht in. Ik lach en zeg: „maar ik vind dit hartstikke gaaf.” Het onbegrip walmt me tegemoet. Nooit was de kloof tussen leerlingen en docent groter. „Willen jullie weten waarom?” Aarzelend geknik. En dan vervolg ik: „Omdat jullie denken dat je hier zit omdat je de werkwoordsspelling niet kúnt, terwijl ik weet dat je hier zit omdat je het niet wílt. Ga maar na: jullie zijn in je leven minimaal 30 uur bezig geweest met de persoonsvorm: in groep 7, in groep 8, in klas 1, 2, 3 en 4. En we hebben het hier niet over kwantummechanica, maar over een paar spellingsregeltjes. Dus de vraag die we moeten beantwoorden is vooralsnog niet: ‘hoe vind je de persoonsvorm? De echte vraag is: ‘Hoe komt het dat jullie nu nóg niet weten hoe je de persoonsvorm vindt?’

Na een kort gesprek concluderen de leerlingen met mij dat het hun aan echte motivatie ontbroken heeft. En daarmee kunnen we aan de slag. De leerlingen krijgen een korte herhaling van de regels, waarbij ik vraag om volledige aandacht. „Niet omdat je de werkwoordsspelling zo leuk vindt, maar omdat je anders volgend jaar wéér in deze cursus zit.” En vervolgens zet ik ze klem met een oefening. Iedereen die de toets echt goed maakt (hooguit 2 fouten op 50 werkwoorden), hoeft de week erop niet te komen. Na enkele weken beheerst de meerderheid de werkwoordsspelling. Nederlands is voor veel leerlingen een eerlijk vak: wat je aan toewijding investeert, mag je aan resultaat oogsten.

Dat zelfde geldt voor de leraar is mijn ervaring. ‘Meneer, waarom bent u eigenlijk leraar geworden?’ Zo’n vraag kreeg ik vaak te horen toen ik nog maar net lesgaf, maar gelukkig krijg ik hem nog steeds wel eens op me afgevuurd. En een enkele keer durft een leerling dan óók nog te vragen: ‘en waarom bent u leraar gebleven?’

Nu moet ik bekennen dat ik het in toenemende mate moeilijk heb met die vragen. En zoals dat gaat: het meest lullige antwoord komt als eerste in me op: ‘och, ik kan nu eenmaal niets beters meer verzinnen’.

En meteen daarna komen de iets minder lullige, maar nog steeds vrij magere antwoorden: als leraar heb ik lekker veel vakantie; ik ben lekker vroeg thuis; ik verdien niet heel veel maar genoeg; het geeft zekerheid.

En laatst kwamen gelukkig weer andere antwoorden boven, zoals: ik vind het vak Nederlands nog steeds zo mooi; ik mag zo graag voorlezen in een brugklas en poëzie behandelen in havo-5. En soms, in de winter, als we met z’n dertigen in het lokaal zitten en de ramen zijn beslagen – een leerling heeft met zijn vinger wat op het raam getekend – buiten is het koud, binnen zijn we lekker aan het werk met, ja, wat kan mij het eigenlijk schelen, een verhaal van Mulisch of iets met het kofschip of zo, dan kan mij op zo’n moment een gevoel overvallen dat verdacht veel lijkt op geluk.

Dat heb ik ook bij de poëzie. In 6 vwo hebben we het aan de hand van gedichten van Andreus over liggen in de zon; we leven mee met Anna Enquist die schrijft over het missen van haar dochter die – student nog – in het verkeer omkwam. Of we buigen ons over een gedicht van een oud-collega van me die beschrijft hoe zijn kinderen het huis uit denderen en hoe hij met zijn vrouw achterblijft in de Achterhoek.

En we hebben het over Lucebert. Zijn poëzie blijkt weerbarstig te zijn. Mooi maar moeilijk, die geeft zijn geheimen niet zomaar prijs. De vier leerlingen die hun presentatie houden zijn aan de dichter gewaagd. Ze namen in de voorbereiding een omweg en bestudeerden niet alleen de dichter maar ook de schilder Lucebert. Karolien en Malon gingen zélf in Luceberts stijl schilderen. De doeken hebben ze meegenomen. Ze tonen de klas hun imitaties en leggen uit hoe experimenteel schilderen in zijn werk gaat. Ik heb geen verstand van schilderkunst, maar kan zo zien dat hun imitaties geslaagd zijn.

Karlijn deed het weer anders en schreef een associatief gedicht in de stijl van de dichter. Ze leest het voor. Daarmee eindigt hun poëziepresentatie die ruim een uur heeft geduurd. We hebben gelukkig een blokuur van 80 minuten en dus nog ruim de tijd voor de nabespreking.

Het idee dat al deze dichters, al is het maar voor de duur van één semester, bestudeerd worden door een klas nog net niet volwassenen doet me op één of andere manier goed. Is dat relevant? Wie het weet mag het zeggen. In ieder geval leveren die lessen elk jaar weer momenten op van grote schoonheid; ze vervluchtigen als de bel gaat. Maar dit keer niet. Malon, Karolien, Karlijn en Paulien krijgen hun verdiende 9 en ík krijg de twee schilderijen in de stijl van Lucebert. Ze hangen nu in het lokaal.

Jeroen Steenbakkers (1968) studeerde moderne letterkunde en is nu docent Nederlands (onder- en bovenbouw) aan het Ludgercollege in Doetinchem.