De hockeytrainer is te lief geweest

Robbert Paul Aalbregt (43) vertrekt eind dit seizoen na vier jaar bij Rotterdam.

Hij wordt niet de opvolger van Oltmans (mannen) of Lammers (vrouwen).

Vrijdagmiddag om half een rinkelt de telefoon in zijn bovenwoning in Rotterdam-Noord. Ties Kruize, commissaris tophockey van de Nederlandse hockeybond (KNHB), aan de lijn. Met de mededeling dat Robbert Paul Aalbregt zich geen illusies hoeft te maken. De huidige trainer-coach van HC Rotterdam (mannen) zal komend najaar, na de Olympische Spelen in Peking, niet aantreden als opvolger van bondscoach Roelant Oltmans (mannen) of Marc Lammers (vrouwen).

„Ties gaat me binnenkort uitleggen waarom”, zegt Aalbregt (43) droogjes, nadat hij de verbinding heeft verbroken. Pijnlijk of niet, als een verrassing komt de mededeling niet. Aalbregt, oud-bondscoach van Jong Oranje (vrouwen), heeft eerder die ochtend uitgelegd waarom hij zijn eigen kansen laag inschat. „Vier jaar lang heb ik succesvol (twee Europese titels en derde bij het WK voor junioren, red.) gewerkt met de lichting die nu doorstroomt naar het ‘grote’ Oranje. Waarom ik uiteindelijk plaats moest maken, weet ik nog altijd niet. Dat de wegen zich scheiden, prima, maar leg dan wel uit waarom. Ik heb het een paar keer gevraagd, maar krijg maar geen antwoord.”

Vraag is volgens Aalbregt hoeveel belang de bond hecht aan de eigen opleiding, van zowel de jeugd als het kader. „Dave Smolenaars heeft hetzelfde meegemaakt; ook zonder enige uitleg is hij bedankt voor bewezen diensten. Die jongen staat nu derde in de hoofdklasse met een piepjong SCHC. Zou er nu werkelijk niemand bij de bond zijn die denkt: zonde eigenlijk dat we zo slordig met ons eigen kapitaal omgaan?”

Sinds Oltmans en Lammers begin dit jaar bekendmaakten na de Spelen niet terug te zullen keren op hun post, schuift de ene na de andere kandidaat zichzelf naar voren, onder wie Herman Kruis (Den Bosch) en Michel van den Heuvel (Bloemendaal). Eind deze maand hoopt de bond de definitieve namen te presenteren. Aalbregt mengde zich vorige week in de stoelendans, nadat zijn werkgever Rotterdam hem twee maanden geleden de wacht aanzegde. „Ik heb Ties zelf gebeld, ja. Waarom niet? Hockey is mijn werk, hockey is mijn passie. Ik wil duidelijkheid, want ik moet ook verder. En ik ben niet de enige. Dit is de periode dat hockeycoaches hun brood voor de komende jaren moeten veiligstellen, simpel zat. Bovendien wil ik niet het risico lopen dat straks, mocht er weer een vacature ontstaan, de bond zegt: goh Aal, we wisten helemaal niet dat jij ook geïnteresseerd was. Had dat maar gezegd, jongen!”

Het is de vlucht naar voren die Aalbregt, al ruim tien jaar werkzaam in de Nederlandse hoofdklasse, nooit heeft durven te maken. Behoedzaam manoeuvreerde hij door het ons-kent-ons-wereldje, dat de hockeysport van oudsher is. Op een ontboezeming viel hij slechts in besloten kring te betrappen. „Ik ben veel te lief geweest, veel te diplomatiek ook. Mijn vrouw zegt het ook. Je moet kunnen netwerken, jezelf op het juiste moment op subtiele wijze bij de juiste mensen presenteren. Kennelijk ben ik daar niet zo bedreven in, want anders kan ik het niet verklaren dat ik stelselmatig over het hoofd wordt gezien.”

Of zit Aalbregt domweg niet in de juiste waaier? Grijnzend: „Ik zit in elk geval niet in het Old Boys Network, zoals dat zo mooi heet. Joost Bellaart wel. Die werd zeven jaar geleden bondscoach zonder noemenswaardige staat van dienst. Ja, hij was in een ver verleden een goede manager onder Hans Jorritsma. Maar Bellaart sprak de juiste mensen en zij spraken hem. Zo werkt het dus in dit wereldje. Ik niet; mijn vader heeft niet op topniveau gespeeld en zelf ben ik ook geen oud-international. Dan heb je op de lange termijn kennelijk dus een probleem.”

Noem hem verbitterd en Aalbregt haalt zijn schouders op. „Kan me niet zoveel schelen hoe het overkomt, het moet maar eens gezegd worden. Mag ik misschien een keer voor mezelf opkomen? Ook bij Rotterdam heb ik altijd het clubbelang voorop gesteld. Het is je club én je werkgever. Dus als een van onze buitenlandse spelers weer eens niet kwam opdagen omdat hij een vlucht had gemist bijvoorbeeld, dan hield ik mijn mond. Ook al verstoorde dat de voorbereiding, en was dat een slecht signaal naar de rest van de groep.”

Diezelfde club maakte in januari bekend dat Aalbregts oud-assistent Hans Streeder komend seizoen de leiding heeft, ook als technisch directeur. Aalbregt: „Dat een club na vier jaar zegt: het is mooi geweest, tijd voor een nieuw geluid, begrijp ik. Alleen: ga het gesprek aan, sta open voor discussie. Ik had nog graag een jaar door willen gaan, omdat ik het gevoel heb dat we nog niet klaar zijn.” Wat hem vooral stoort is dat de grootste club van Nederland (2.403 leden) „nu ineens wel geld heeft voor de functie van technisch directeur, en daar nota bene een, met alle respect, onervaren man opzet”.

Rotterdam, zesde op de ranglijst, plaatste zich afgelopen seizoen voor het eerst voor de play-offs om de landstitel. Daarin dwong de club deelname af aan de European Hockey League, ten koste van SCHC. Aalbregt zegt „in zekere zin” het slachtoffer te zijn van zijn eigen succes. „In de huidige selectie zitten twaalf jongens met wie ik vier jaar geleden ben begonnen. Dat die toe zijn aan een nieuw gezicht, lijkt me duidelijk. Maar dat ze er nog altijd zijn, beschouw ik als een compliment.”

    • Mark Hoogstad