Als kind kan denken dat ’t echt is, mag het niet

Nieuwsanalyse De eerste veroordeling wegens virtuele kinderporno laat zien hoe de rechter tegen een ‘gedachtenmisdaad’ zonder slachtoffers aankijkt.

Vorige maand veroordeelde de rechtbank Den Bosch een verzamelaar van kinderporno wegens cyberkinderporno. De man had in zijn (overigens zeer strafbare) verzameling ook een animatiefilmpje met een virtueel kind in de hoofdrol. Het was de eerste keer dat het Openbaar Ministerie erin slaagde een veroordeling wegens virtuele kinderporno te krijgen, op basis van nog nieuwe artikel 240b van het Wetboek van strafrecht.

Voor het filmpje waren geen echte mensen gebruikt. Het ging evenmin om digitale bewerking van bestaand materiaal. Er waren geen modellen of foto’s gebruikt. Het filmpje was fantasie, de beelden fictief. Er waren dus geen direct betrokken slachtoffers.

Het betrof een quasi-instructiefilm (Sex lessons for young girls) waarbij een virtueel kind een virtuele man aftrekt, terwijl het net lijkt of ze daarbij toelichting geeft. Als de volwassen animatiefiguur klaarkomt, komen er kleurige slingers in beeld en applaudisseert de volwassen cyberfiguur. Typisch op verleiding gericht, vond de rechtbank. En daarmee precies wat de wet wil voorkomen. Het aanmoedigen van kinderen om deel te nemen aan seksueel gedrag „dat deel kan gaan uitmaken van een subcultuur die seksueel misbruik van kinderen bevordert”. De strafbaarheid zit dus in het effect dat het filmpje volgens de wet heeft: de verleiding, het aanmoedigen, het faciliteren van kindermisbruik.

Bij de invoering van het artikel in 2002 zei het kabinet dat het vooral moest gaan om „realistische” afbeeldingen, die „levensechtheid” uitstralen. „Daarmee vallen schilderijen, tekeningen, cartoons en strips buiten de reikwijdte van artikel 240b Sr. Dat betekent dat creatieve uitingen van de menselijke geest niet onnodig gebreideld worden.” Ook zei de regering toen dat „beelden die aan de fantasie van de maker zijn ontsproten, maar die zich als animaties laten duiden, buiten beeld [blijven]”. Het ging erom het OM te ontslaan van de verplichting te bewijzen dat er échte beelden zijn gebruikt. Dat is namelijk meestal het geval. Vaak van kinderen, maar ook wel van meerderjarigen die digitaal jonger zijn gemaakt. Daarom is ook de schijnbare betrokkenheid van kinderen strafbaar.

De vraag of het om realistische beelden ging, beantwoorden volwassenen volgens de rechtbank in deze zaak met nee. Zij kunnen snel zien dat het een pornografisch poppenspel is. Alleen kinderen zouden dat niet kunnen. Volgens de rechtbank is ‘het gemiddelde kind’ de maatstaf die bij de beoordeling moet worden aangelegd. Als een kind kan denken dat de Sex lessons-film levensecht is, is aan de wet voldaan – het is daarbij geen noodzakelijke voorwaarde dat een kind de beelden ook te zien krijgt. Hoewel de rechters zich daar niet apart over uitlaten, moet het dus aan het gemiddelde kind ook duidelijk zijn dat het filmpje geen „creatieve uiting van de menselijke geest” is. Die valkuil heeft men willen vermijden: geen gedoe over blote kunstfoto’s, naakte kinderen op schilderijen etcetera.

Maar van de Bossche rechtbank moet virtuele kinderporno juridisch met het oog van een kind worden beoordeeld. Daarmee is de lat duidelijk lager gelegd. Als een kind kan worden verleid of in verwarring gebracht, is de maker of eigenaar van de film al snel strafbaar, creatieve uiting of niet.

Dit doet opnieuw de vraag rijzen of hier de gedachtenmisdaad is ingevoerd, in strijd met het recht op persoonlijke levenssfeer en vrijheid van woord en beeld. Toen het wetsartikel werd ingevoerd was bij critici, vooral Eerste Kamerleden, al veel argwaan over dit artikel. Hoe kan nu nepkinderporno strafbaar worden, vanwege de ‘schijnbare betrokkenheid’ van kinderen? Voldoet dat wel aan het rechtstatelijke vereiste dat strafrecht ‘kenbaar en voorzienbaar’ voor de burger moet zijn? Kan je virtuele kinderporno niet net zo goed als oplossing zien, in plaats van als probleem? Als het toch één markt is, zoals het kabinet meent, zou dan de fictieve de echte niet kunnen, misschien wel moeten verdringen? En hoe zit het eigenlijk met de persoonlijke levenssfeer en het recht je vrij te uiten?

Het Amerikaanse hooggerechtshof verklaarde namelijk een gelijkluidend artikel uit de Amerikaanse wetgeving niet constitutioneel en dus onbruikbaar. Dat een subcultuur van een inspiratiebron moet worden ontdaan, is een poging om iemands privégedachten te controleren. Virtuele porno kan worden gebruikt om kinderen te verleiden, maar dat geldt ook snoepgoed of cartoons. Virtuele kinderporno „is geen verslag van seksueel misbruik, noch maakt het slachtoffers”, aldus het hooggerechtshof.

Maar de Nederlandse wet is anders. Die verbiedt realistische afbeeldingen van expliciet fictief seksueel gedrag door niet bestaande kinderen. Dat een niet-bestaand kind geen leeftijd heeft, die dus ook niet kan worden bewezen, heeft de wetgever opgelost met het criterium ‘kennelijk’. De rechtbank Den Bosch ging ermee aan de slag. Hun scheen het virtuele kind in het animatiefilmpje ongeveer acht jaar oud toe. Ze was namelijk „niet volgroeid”. Er was sprake van „een virtueel meisje dat als het ware in de prepuberteit is”.

Lees het vonnis (BC3225) op rechtspraak.nl

    • Folkert Jensma