Schrijverskatten

Willem Frederik Hermans en Gerard Reve hielden beiden van katten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in hun briefwisseling Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel, waarover ik gisteren in algemene zin schreef, de kat regelmatig opduikt.

Ze schrijven elkaar soms zeer gedetailleerd over hun ervaringen met katten. Reve biedt Hermans op zeker moment een pasgeboren katje aan, maar Hermans, nog in Groningen wonend, vindt twee voorlopig wel genoeg. Die twee heetten Bellepoes (of Belle) en Cals, naar de KVP-minister van Onderwijs aan wie Hermans zo’n hekel had. De derde kat, Bastiaan, was juist overleden. Aan zijn dood wijdt Hermans een huiveringwekkende passage in een brief uit 1955.

„Toen ik twee dagen in Groningen was, is Bastiaan overreden. Zijn kop was plat als een cadetje, zijn ene oog ingedrukt, het andere eruit. Een klein meisje met stelten dat hem gevonden had en mij was komen roepen, lachte toen ik hem opraapte en het bloed van hem afdruppelde. „U moet maar denken hij heeft zijn leven gehad”, zei ze. Zelfs kattenbloed kan geen indruk meer maken op de kinderziel, in het tijdperk van de atomaire gemeenplaatsen.

„Ik heb hem de volgende dag in een doos naar de stadsreiniging gebracht, waar ik hem, op aanwijzing van een vuilnisman, heb neergelegd op een vrachtauto, die al half vol was met straatvuil. Op de terugweg bedacht dat die mannen, zodra ik weg was, natuurlijk in de doos zijn gaan kijken, om te zien of het geen vermoord kind zou wezen, misschien.”

Wat er ook gebeurde, Hermans bleef scherp observeren. Nadat ik deze passage had gelezen, pakte ik er een kaart bij die ik ooit had gekocht: Hermans met een kat in zijn armen, poserend voor Ed van der Elsken. Een van de beste kattenfoto’s die ik ken. Voor het eerst lette ik op de titel achterop: „W.F. Hermans met poes Sebastiaan” (1955). Dezelfde kat, kort voor het ongeluk, nog net op tijd met zijn baas vereeuwigd.

Van Reve weten we dankzij deze briefwisseling dat hij niet te beroerd was de handen uit de mouwen te steken om zijn geliefde katten te hulp te snellen – soms met averechts resultaat.

Hanny Michaelis, de toenmalige vrouw van Reve, van wie ook enkele brieven zijn opgenomen, beschrijft in 1955 hoe hun poes die zomer zeven jongen had geworpen. „Eén jong, een min, pikzwart beestje lieten we haar houden, maar toen het 4½ week oud was, is het doodgegaan nadat Gerard het gedwongen had (uit pure zorgzaamheid) via een ventielslangetje onverdunde melk te drinken omdat het niet aankwam.”

Gelukkig kon Reve zich een jaar later revancheren bij een nieuwe bevalling. In zijn beste Engels schrijft hij aan ‘Dear Willem’. „At eleven in the morning she sat near the stove with a strange balloon of bubble gum sticking out of her behind. I washed my hands, put on a dust coat en began to render assistance. It was all firmly stuck, but with some gentle interference of the fingers I succeeded to get number one out.”

A strange balloon of bubble gum – wat een mooie omschrijving van het vlies waarin het katje zich nog bevond.

Er kwam overigens een opzienbarend groot katertje tevoorschijn, dat Reve alleen wilde afstaan als de nieuwe eigenaar hem Tiger of Tijger zou noemen en hem zou laten castreren.

In 1968, als hun vriendschap al over haar hoogtepunt is, meldt Reve dat hij nu vier katten heeft: Knorretje Panda, Kinkie, Maria en Prins Satan, ook wel Broertje geheten. „Heb jij nog katten?” vraagt hij Hermans. Het is alsof hij met die vraag de intimiteit van hun oude vriendschap wil terughalen. Maar er zal geen antwoord meer komen.

    • Frits Abrahams