Inburgeren moet meer buiten de klas

Inburgeringscursussen moeten beter aansluiten bij banen en opleidingen. Snuffelstages en trainen on the job zijn de oplossing, menen Pieter Winsemius en Senay Özdemir.

Tekening Cyprian Koscielniak Koscielniak, Cyprian

In een open brief aan minister Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie signaleerde het Sociaal Platform Rotterdam (SPR) onlangs dat de Wet Inburgering tekortschiet. De instroom in de inburgeringstrajecten loopt niet goed, en het niveau van het inburgeringsexamen is onvoldoende om door te stromen naar de arbeidsmarkt. De effecten worden het hardst gevoeld in de grote steden. De ambities van het kabinet om grote groepen oud- en nieuwkomers zelfredzamer te maken en duurzaam te laten participeren zijn hoog. Daar is ook alle reden toe.

Op grond van twee jaar praktijkervaring, onderbouwd door wetenschappelijk onderzoek, concludeert het SPR dat het aantal inwoners in Rotterdam dat de Nederlandse taal nog onvoldoende beheerst, ongeveer 100.000 bedraagt. Dat is meer dan één op de zes. Daar zitten overigens niet alleen allochtone Rotterdammers bij, maar ook autochtonen die amper kunnen lezen of schrijven.

Ieder jaar beginnen gemiddeld 5.000 Rotterdammers aan een taaltraject dat gericht is op het inburgeringsexamen. Dit aantal is verre van voldoende om de maatschappelijke problemen aan te pakken die met een gebrekkige inburgering gepaard gaan.

Lang niet iedereen die zou moeten worden bereikt komt bovendien in het vizier. Zo is nooit rekening gehouden met de snel groeiende stroom van zogeheten MOE-landers, de arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa. Het CBS houdt er inmiddels serieus rekening mee dat een substantieel deel van de Polen, Bulgaren en Roemenen die zich de afgelopen tijd in Nederland hebben gevestigd, hier langere tijd zal blijven.

Dat het hier gaat om onderdanen van EU-landen maakt hun problemen met inburgering niet minder. Als we niet oppassen herhaalt zich de geschiedenis van de eerste generatie gastarbeiders eind jaren zestig. De reikwijdte en de capaciteit van de inburgeringstrajecten zullen drastisch omhoog moeten om ook deze nieuwe groepen te bereiken.

De inburgeringstrajecten kampen bovendien met een gebrek aan kwaliteit. Het landelijk examen is van een te laag niveau om daarmee een positie op de arbeidsmarkt te kunnen verwerven. De taalbeheersing van de meeste geslaagden is buitengewoon beperkt. De beoogde zelfredzaamheid blijft voor veel deelnemers een illusie. Bovendien is alleen deelname aan een huidig inburgeringstraject niet genoeg om duurzame participatie aan de Nederlandse samenleving mogelijk te maken. Zonder een vervolgstap maken de inburgeraars geen reële kans om een opleiding te gaan volgen of om vrijwilligerswerk te gaan doen, laat staan om een betaalde baan te krijgen.

Verleden jaar heeft het SPR in vier Rotterdamse wijken onderzoek laten doen naar de ambities en wensen van allochtone vrouwen van de eerste generatie. Een van de uitkomsten was dat veel vrouwen wilden meedoen in hun straat, buurt en stad. Ze waren graag bereid om daar taallessen voor te volgen en om vrijwilligerswerk te gaan doen.

Bovendien bleken de oudere deelneemsters aan het onderzoek vaak een belangrijke rol te spelen in de opvoeding van hun kleinkinderen die op Nederlandse basisscholen zitten. Zij zouden graag beter Nederlands willen leren om het contact met volgende generaties niet te verliezen. Als deze vrouwen al niet uit zichzelf gemotiveerd zouden zijn om aan een inburgeringtraject deel te nemen, dan zou een expliciete uitnodiging daartoe zeker resultaat hebben.

Allochtone mannen en vrouwen begrijpen heel goed dat het hebben van werk belangrijk is om een plekje te vinden in de Nederlandse samenleving. Alhoewel in de huidige inburgeringstrajecten ook praktijklessen worden gegeven, blijft de focus nog te eenzijdig op het leren van taal. Dat gebeurt te veel in de geïsoleerde setting van het klaslokaal.

Juist in Nederland, met zijn traditie van kwalitatief hoogwaardig taalonderwijs (denk aan de befaamde ‘nonnen’ in Vught) weten we dat het veel meer resultaat oplevert om het geleerde meteen te gebruiken in contact met de omringende samenleving. Duale trajecten (‘lerend participeren’) zoals de minister ook in haar plannen stelt, zijn dan ook absoluut nodig als vervolg op de eerste stap richting inburgering.

Vervolgtrajecten moeten aansluiten op (vervolg-)opleidingen, vrijwilligerswerk, werkervaringsplaatsen, en uiteindelijk volwaardige banen. Werkgevers en maatschappelijke organisaties zijn daarbij hard nodig als partner. De rijksoverheid dient te stimuleren dat bedrijven zich inzetten en maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen.

Bedrijven kunnen inburgeraars niet alleen snuffelstages en werkervaringsplaatsen bieden, maar ook mensen on the job opleiden en trainen. Daartoe moeten werkgevers bereid zijn ook werknemers aan te nemen die over een lager niveau van taal en opleiding beschikken dan eigenlijk gewenst, zodat die zich al werkend verder kunnen kwalificeren. Afspraken op brancheniveau met werkgevers over instroom en begeleiding zijn daartoe noodzakelijk.

De bereidheid om van inburgering een succes te maken is er bij alle partijen zeker, wijst de ervaring van het Sociaal Platform Rotterdam uit. Niet alleen de deelnemers en de aanbieders van taaltrajecten ervaren het inburgeringsbeleid echter als te ingewikkeld, ook de ambtenaren die met de uitvoering belast zijn komen er niet uit. Er bestaan te veel regelingen naast elkaar: de Wet Werk en Bijstand, de Wet Educatie en Beroepsonderwijs, de Wet Inburgering...

Tegenstrijdige regels, ondoelmatig onderscheid in ondoordachte doelgroepen, en een hoge administratieve lastendruk belemmeren de praktische uitvoering. Er wordt al jaren gesproken over de instelling van één Participatiefonds, met de gelden voor volwasseneneducatie, inburgering en reïntegratie. Dat zou een eind kunnen maken aan de bestaande verkokering. Mits dat fonds er nu echt snel komt en er niet weer opnieuw allerlei complexe verantwoordingsregels aan worden gesteld.

De aangekondigde vereenvoudiging van de regels is een wezenlijke stap vooruit, maar het inburgeringsbeleid schiet ook dan nog steeds verregaand tekort. Een succesvol vervolgtraject dat resulteert in duurzame participatie kost tussen de 5.000 en 10.000 euro per inburgeraar. Onder de allochtone Rotterdammers bevinden zich naar schatting 65.000 potentiële kandidaten. Daar komen de laaggeletterde autochtonen nog bovenop.

Het is duidelijk dat de rijksbijdrage van 30 miljoen (alleen voor de inburgeringstrajecten) en een eigen gemeentelijke investering van ca. 5 miljoen daar volstrekt niet toereikend voor zijn. Extra middelen zijn dringend nodig om te voorkomen dat te veel mensen langs de kant blijven staan.

Bovendien is de Wet Inburgering te veel gericht op het behalen van het examen en onvoldoende op het maatschappelijk resultaat. De inburgeraars, taalaanbieders en gemeenten worden door het rijk slechts afgerekend op het behalen van het diploma, maar daarmee wordt nog niet per se het maatschappelijke doel – participatie – bereikt.

Anders gezegd: je kunt ook zwemmen (leren) als je niet je zwemdiploma hebt behaald. Voor veel, vooral oudere vrouwen is dat diploma zo vreselijk belangrijk niet om maatschappelijk goed te kunnen functioneren.

De urgentie van het inburgeringprobleem is enorm, niet alleen in Rotterdam maar in alle grote steden. Met name in de prachtwijken blijven de verhoudingen tussen bewoners gekenmerkt door miscommunicatie, blijft een groot deel van de bewoners onvoldoende kans maken op de arbeidsmarkt en blijven er taalachterstanden bestaan onder de jeugd. Van binding tussen de bewoners onderling en tussen de bewoners en hun stad is nauwelijks sprake.

De sociale opgave is groot. De verwezenlijking ervan is een gezamenlijke opgave voor het rijk, de gemeenten, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld.

Nog één of twee jaren pilots draaien met beperkte financiële middelen, is niet het juiste antwoord op dit nijpende vraagstuk. We moeten nú doorzetten, anders zijn de miljoenen die al in de inburgering zijn gestoken weggegooid geld.

Pieter Winsemius en Senay Özdemir zijn voorzitter respectievelijk lid van het Sociaal Platform Rotterdam, een onafhankelijk adviesorgaan dat de sociale leefbaarheid in de Rotterdamse wijken probeert te bevorderen.

    • Pieter Winsemius
    • Senay Õzdemir