Geen eigen tv-zender voor het Europarlement

Het Europarlement wil een eigen tv-zender: EP-TV. Dat is helemaal verkeerd, vindt Cornelis Visser. Zo’n eigen tv-kanaal kan nooit onafhankelijk zijn.

Binnen het Europees Parlement bestaat een meerderheid voor de oprichting van het eigen tv-kanaal op internet. De PvdA is zelfs voorstander van een eigen zender, zo heeft europarlementariër Thijs Berman laten weten. Volgens hem moet EP-TV natuurlijk wel onafhankelijk operen, EP-TV mag geen Pravda worden.

Als voormalig journalist moet hij toch weten dat een zender die rechtstreeks wordt gefinancierd door een politieke instelling niet onafhankelijk kan opereren. Het Europees Parlement en europarlementariërs zijn er om wetgeving te maken en te controleren en burgers daarin zo goed mogelijk te vertegenwoordigen. Parlementariërs zijn er niet om een tv-station te runnen. De redactie van EP-TV zal worden gevormd door ambtenaren, die onder gezag staan van politici. EP-TV lijkt de omgekeerde wereld, waarin de parlementariërs de burgers gaan vertellen wat goed voor hen is.

De meerderheid van het EP vindt kennelijk dat het niet genoeg in het nieuws komt. Het heeft dan maar besloten om zelf een zender in de lucht te brengen. Ik erken dat er een communicatieprobleem is. Maar dit recept is in mijn ogen een gifpil.

In de huidige situatie zorgt de voorlichtingsdienst van het Europees Parlement ervoor dat onafhankelijke journalisten hun werk kunnen doen. Er is een goed werkende perszaal, er zijn achtergrondnotities en faciliteiten beschikbaar. Zo kunnen radio en tv-omroepen gratis gebruikmaken van (radio) studio’s, cameraploegen en montageapparatuur. Deze faciliteiten zijn essentieel voor minder kapitaalkrachtige omroepen in Oost-Europa of kleine regionale omroepen. Maar ook onze NOS maakt er gebruik van. Belangrijk is dat bij het verstrekken van deze faciliteiten het Parlement zich niet bemoeit met de inhoud van de berichtgeving. De inhoud bepalen de journalisten zelf. En zo hoort het!

Een andere mogelijkheid is het geven van subsidies. Zo bestaat er in Nederland het Europafonds, waaruit bijvoorbeeld subsidie is verleend aan de verfilming van Geert Maks documentaire In Europa. De Europese Commissie gaat subsidie geven aan een samenwerkingsverband van Europese omroepen om programma’s te maken over Europa voor jongeren. Een prima initiatief waar ook de Nederlandse Wereldomroep aan meedoet. De onafhankelijkheid van het redactiestatuut van de omroep wordt hierbij gegarandeerd.

Subsidies kunnen omroepen over de drempel helpen omdat ze financiële risico’s kleiner maken. Deze subsidies moeten dan echter niet rechtstreeks door een parlement worden verstrekt, maar door de regering c.q. Europese Commissie als de uitvoerende macht. Het parlement moet zijn controlerende taak te allen tijde onafhankelijk kunnen uitoefenen.

Uit de zojuist gepresenteerde Eurobarometer blijkt dat vooral in Nederland het met de kennis over de Europese Unie slecht is gesteld. De basis voor het gebrek aan kennis ligt voor een deel in het onderwijs. Dat is onder andere te verklaren uit het feit dat de Europese Unie nog steeds als een buitenlandse internationale organisatie wordt gezien. Ook in de schoolboeken. Nederland kent in die optiek drie bestuurslagen: gemeenten, provincies en rijk. In een apart hoofdstuk wordt vaak Nederland en het buitenland behandeld waarin aandacht voor internationale organisaties als de VN, NAVO, Raad van Europa en ook de Europese Unie. De EU onderscheidt zich hier echter van doordat het een wetgevende organisatie is en als zodanig de vierde bestuurslaag van Nederland vormt.

Het onderwijs is in deze niet uniek. Ook in de nationale politieke arena en in de media wordt de EU te vaak in de buitenlandhoek neergezet. En dat is jammer, want ik ben ervan overtuigd dat het besef dat Europees nieuws veelal binnenlands nieuws is, meer bijdraagt aan het dichten van de kloof dan een eigen tv-station.

Cornelis Visser is europarlementariër voor het CDA.