De vrome revolutionair

Gesteld dat Irak nu een welvarende democratie was geweest, betrouwbaar bondgenoot van Amerika en voorbeeld voor het Midden-Oosten, hadden we ons dan nu, vijf jaar na het begin van de oorlog, nog verdiept in het voorspel tot dit wereldsucces? Een paar historici misschien, maar aan deze kant van de planeet was er feestgevierd.

Begin deze week is in Washington opnieuw een rapport uitgelekt, gebaseerd op 600.000 Iraakse documenten die na het begin van de oorlog door de Amerikanen in beslag zijn genomen. Saddam and Terrorism, Emerging Insights from Captured Iraqi Documents heet het. De conclusie van het rapport is dat, in tegenstelling tot wat indertijd president Bush, de ministers Rumsfeld en Powell en andere hooggeplaatsten in Washington de wereld hadden bezworen, er geen nauwe banden met Al-Qaeda waren. De terreurorganisatie maakte haar entree in Irak pas in 2004, toen de aanvankelijk gewonnen gewaande oorlog weer op gang begon te komen.

Er waren ook geen massavernietigingswapens, Saddam had niet geprobeerd in Niger uranium te kopen, en Tony Blair heeft gelogen toen hij plechtig verklaarde dat in Irak raketten klaarstonden die binnen drie kwartier konden worden afgeschoten. Allemaal oud nieuws, waarvan de valsheid weer wordt bevestigd als we volgende week stilstaan bij het feit dat het dan vijf jaar geleden is dat de inval begon.

Nu, in de verkiezingscampagne, beseffen de Amerikanen weer dat ze er niet kunnen blijven en evenmin met goed fatsoen vertrekken. Het Midden-Oosten in zijn geheel is een onoverzichtelijker en gevaarlijker front dan voor de oorlog. Het Israëlisch-Palestijns conflict is geen stap dichter bij zijn oplossing. Iran wordt er nog altijd van verdacht een kernwapen te willen maken. Allerlei schandalen, Abu Ghraib, Guantánamo, martelingen hebben de reputatie van Amerika zwaar beschadigd.

We weten nu wie daarvoor verantwoordelijk zijn. Maar nog altijd blijft het de vraag hoe het komt dat miljoenen in het hele Westen, tegen alle waarschuwingen van de beste deskundigen in, zich zo catastrofaal hebben kunnen vergissen.

„Diep in zijn hart was Bush een revolutionair. Alles wat hij in de eerste dertig maanden als president deed, wees erop dat hij liever vermetel dan voorzichtig was, liever in actie kwam dan reageerde, en dat hij liever risico’s nam dan deze uit de weg te gaan”, schrijven Ivo Daalder en James Lindsay in hun boek Amerika ontketend, de Bush-revolutie in de buitenlandse politiek, verschenen in 2003. Zo heeft hij het verdrag van Kyoto opgezegd en na 9/11 zonder enige aanleiding het Atlantisch pact tot een verwaarloosbare formaliteit gereduceerd. Daarna is het verder bergaf gegaan met de Atlantische solidariteit, en parallel daaraan, met de invloed van het Westen in de wereld. Daaruit ontstaan twee vragen. Hoe heeft het zo ver kunnen komen. En wat zijn de kansen op enig herstel.

Na een moeilijk begin is de carrière van Bush als president door het lot mateloos bevorderd. Het lot? Hij had het volstrekt anders kunnen aanpakken door zich overtuigend aan de oplossing van het Israëlisch-Palestijns conflict te wijden, maar vertrouwend op de Amerikaanse hypermacht, koos hij aanvankelijk voor het politiek en diplomatiek isolement. Pas na 9/11 is Amerika zich weer met de wereld gaan bemoeien en toen is de president pas goed in een revolutionair veranderd. Door de aanval op het WTC was het patriottisme gewekt, een kracht, een politieke energie zoals we die in Europa niet meer kennen. Het neoconservatisme, de politieke filosofie waaraan Washington zijn rechtvaardiging tot actie zou ontlenen, had zijn aanhangers tot in de hoogste kringen van de regering. Het lag in het najaar van 2001 voor de hand dat nu eerst de directe vijand, de Talibaan, moest worden aangepakt. En toen die operatie binnen een paar maanden geslaagd leek te zijn, was de weg vrij om de theorie van de neo’s verder op het Midden-Oosten toe te passen.

Daarvoor moest een rechtvaardiging worden gevonden. In de loop van 2002 is met krachtige medewerking van de Washingtonse bureaucratie en de verwante media een campagne tegen Saddam op touw gezet. De ongetwijfeld ongure dictator, die met inspecties van de VN en af en toe een bombardement tot dan toe goed in bedwang was gehouden, werd met een niet aflatende campagne tot wereldvijand nummer 1 bevorderd. Showdown Iraq! was eind 2002 de boodschap. Wat de tegenstanders, (en niet de geringsten zoals generaal Wesley Clark) ook mochten beweren en argumenteren, het was vergeefs. De oorlog was onvermijdelijk geworden.

Kritiekloze media en goedgelovige bondgenoten zijn regelrecht medeplichtig aan het feit dat de Amerikaanse strijdkrachten zich in Irak in een uitzichtloze val hebben gevochten. De binnenkort vertrekkende wereldleider blijft erbij dat hij uit naam van God het goede heeft gedaan. In een toespraak tot een groep christelijke radio- en televisieomroepers zei hij gisteren dat vrijheid het geschenk van God aan de mensheid is, en dat hij er goed aan heeft gedaan om Saddam te verwijderen. Om dat hoge doel te bereiken mag je ook af en toe wel een jokkentje veroorloven en een beetje martelen in Guantánamo. Na ons de Zondvloed.

Reageren kan op nrc.nl/hofland (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).

    • H.J.A. Hofland