De pad

De 49-jarige Nan Prüst uit Utrecht is een van de winnaars in de serie Duizend Woorden. Regelmatig publiceert de Achterpagina een verhaal.

Illustratie Sieb Posthuma Posthuma, Sieb

Kraus en ik wonen in dezelfde straat. Elke middag loopt hij met me mee uit school en wil hij spelen. Ik niet. Kraus let namelijk nooit op. Zeker nu Ludger en Johnnie weer op oorlogspad zijn, is het uitkijken. Eergisteren nog had ik Kraus de brandgang in geduwd terwijl die twee schreeuwend op ons af kwamen.

„Ik ga mijn moeder halen”, riep Kraus. Hij was haastig zijn tuin ingelopen en had de tuinpoort voor mijn neus dichtgeslagen. De vlekken aan de binnenkant van mijn ogen toen Ludger me bij mijn keel greep, braaksel dat zurig omhoog kwam, Johnnie had gelachen. Ze waren allang weg toen Kraus in zijn eentje terugkwam met twee plakkerige zuurtjes. Hij zag dat ik gehuild had.

„Wat ik heb is veel erger”, zei hij. Hij had zijn trui omhoog getrokken en naar de plekken op zijn buik gewezen. Sommigen waren opengekrabd, op een paar plaatsen zaten korsten als roestvlekken. „Dat is een besmettelijke ziekte. Die heb ik van Ludger. Hij spuugde in mijn gezicht. De dokter zegt dat eerst de huid afsterft, daarna de rest.”

Voor de zekerheid had ik het zuurtje weggegooid.

Nu sjokt Kraus weer achter me aan de brandgang in. Ik speur het pad af.

„Wat gaan we doen?” vraagt hij.

„Niks. Ik ben misselijk”, lieg ik, „misschien morgen.”

Kraus sjokt verder, naar huis. Ik ga onze keuken in, de gang door, via de voordeur weer naar buiten. Op straat blijf ik dicht langs de huizen. Ik zoek naar padden bij de sloot en vind een bruine met een wrattige huid. Ik wil hem meenemen om te laten overwinteren in onze tuin. Voorzichtig til ik hem op, hij voelt koel aan en blijft rustig zitten. Het tintelt in mijn buik, de pad en ik hebben een geheim.

Ludger en Johnnie zien me zodra ik de bocht om kom, ze zijn al halverwege de straat.

„Daar is hij”, schreeuwt Ludger.

Ik buk, doe of ik mijn veters strik en zet de pad langs de stoeprand. Snel veeg ik een paar bladeren over hem heen. Daarna hol ik naar huis. Ik haal het net en sla de voordeur dicht. Ludgers geschreeuw aan de andere kant van de deur houdt snel op, het wordt vreemd stil. Net als ik wil kijken wat er gebeurt, klinken er voetstappen op het tuinpad. De brievenbus kleppert, er valt iets op de mat. Een of ander stuk karton dat een misselijkmakende geur verspreidt. Ik raap het op. Het is de pad. Hij is half verbrand, zijn achterlijf zit in elkaar, zijn ogen puilen. Hij leeft nog. Ik hou hem in het holletje van mijn hand en aai hem tot ik zeker weet dat zijn glazige ogen niets meer zien. In de schemering graaf ik een gat in de achtertuin en leg hem daar in. Ik schuif aarde over hem heen, voorzichtig, zonder aan te duwen.

Staand voor het keukenraam denk ik steeds dat ik hem zie, kruipend over de tegels, zijn achterlijf moeizaam voortslepend. Ik ga elke keer naar buiten, maar het zijn alleen bladeren die door de tuin waaien.

Als mijn moeder thuiskomt is het al laat. Met haar jas aan schilt ze de aardappels. Ze is moe, zegt ze, ze vraagt weinig en ik vertel niets over vanmiddag. Ze zou alleen maar willen weten waarom ik niets terugdoe, nooit iets terugdoe.

’s Nachts, in bed, verzin ik gruwelijke dingen die ik met Ludger uithaal.

De volgende ochtend. Juf Broere kijkt op haar horloge, de gymles is bijna voorbij.

„Laatste slagbeurt”, roept ze.

Kraus sjokt naar de plaat en draait het slaghout om en om. Ludger is werper, hij duwt de bal stevig in zijn handschoen. En gooit keihard. Kraus raakt de bal min of meer per ongeluk, hij probeert zich achter het slaghout te verbergen. De bal rolt het veld in, Kraus zet het op een slap drafje, Johnnie tikt hem met gemak uit. Iedereen gaat het veld af. Behalve Ludger.

„Hé”, roept hij tegen mij. „Ken je die mop van die kikker?”

Ik doe of ik niets hoor en pak de bal die Johnnie heeft laten vallen.

„Hij wilde hogerop en ging studeren voor vuurpijl.” Ludger lacht. „Hij is gezakt.”

In één beweging kom ik overeind en gooi. De bal vliegt als een streep naar Ludger toe. Hij laat zijn handschoen op de grond vallen. Even denk ik dat hij de bal met zijn blote hand zal stoppen om hem keihard terug te gooien. Of misschien kopt hij hem terug, zonder met zijn ogen te knipperen. Ik sta aan de grond genageld. Ludger vangt niet. Hij kopt niet. De bal raakt hem vol in zijn gezicht. Hij slaat zijn handen voor zijn mond, bloed sijpelt tussen zijn vingers en druppelt op zijn T-shirt. Traag en met opengesperde ogen zakt hij op het gras. Iedereen holt naar hem toe.

„Hij bloedt als een rund”, roept Kraus

„Al zijn tanden liggen eruit”, zegt Johnnie.

Ludger begint te huilen. Juf Broere trekt hem overeind en helpt hem het veld af. Terwijl Ludger langsloopt kruisen onze blikken elkaar. „Jou spreek ik in de klas”, zegt de juf tegen mij.

Uiteindelijk blijven Kraus en ik achter.

„Al die stukjes tand die als glassplinters in zijn maag steken”, zegt Kraus, „daar krijgt hij verschrikkelijke bloedingen van. Dat gaat stollen, klonteren, en dan gaat het naar zijn hersens. Een oom van mij is eraan doodgegaan.”

Trillend draai ik me om. Ik ga niet naar de klas. Bij de sloot zoek ik een nieuwe pad, ik vind een kleinere met strepen. Achter in de tuin maak ik een modderig hol waar hij meteen in wegkruipt Mijn handen trillen nog. Ik denk aan wat Kraus heeft gezegd. Toch is er iets wat hij niet weet, wat hij niet heeft gezien. De blik in Ludgers ogen terwijl hij me passeerde op het veld en we elkaar aankeken. Ik zal weer gooien als het nodig is, en Ludger weet het. Ik bedek het paddenhol met mos en takjes en markeer de plek met een kiezel.

    • Nan Prüst