De man die altijd net om het hoekje verdwijnt

Cate Blanchett als Jude Quinn in ‘I’m Not There’; Bob Dylan in het midden van de jaren zestig. Ook in de film in zwart-wit. scene uit de film I'm Not There (2007) FOTO: A-Film Cate Blanchett

I’m Not There Regie: Todd Haynes. Met: Christian Bale, Heath Ledger, Cate Blanchett, Richard Gere. In: 9 bioscopen.

Een paar voorwaarden had Bob Dylan, voordat regisseur Todd Haynes zijn biopic I’m Not There over hem mocht gaan maken: hij wilde geen ‘genie’ worden genoemd en ook niet de ‘stem van een generatie’. Daarna ging hij akkoord en gaf hij voor het eerst toestemming om zijn leven te verfilmen, en daarbij ook zijn muziek te gebruiken. Die instemming was gebaseerd op één a-viertje met het idee van Haynes: om Dylan door verschillende acteurs te laten spelen, waaronder een vrouw.

Dat moest de oude meester wel aanspreken. Dylan is beroemd om zijn ongrijpbaarheid en zijn vermogen radicaal te breken met zijn verleden en nieuwe wegen in te slaan. Sam Peckinpah castte Dylan in Pat Garret & Billy the Kid (1974) al als een personage met de naam ‘Alias’. In het door Dylan zelf geregisseerde Renaldo & Clara (1978) speelde hij zelf Renaldo en werd ‘Bob Dylan’ vertolkt door de muzikant Ronnie Hawkins.

In I’m Not There bevestigt Haynes dus min of meer een ingeburgerd beeld van Dylan, terug te vinden in iedere biografie, hoe vindingrijk en creatief hij soms ook is in de uitwerking. Zes acteurs zijn het uiteindelijk geworden, die ook nog allemaal een andere naam hebben gekregen. De enige keer dat de naam Dylan in de film valt is als bij het begin als de tekst verschijnt: „geïnspireerd door de vele levens van Bob Dylan”.

De jonge zwarte acteur Marcus Carl Franklin speelt de jongste Dylan, die zich volkomen vereenzelvigt met zijn held Woody Guthrie en diens liedjes over de dust bowl en crisis van de jaren dertig. Christian Bale speelt zanger Jack Rollins, die succes krijgt als protestzanger in New York in de vroege jaren zestig. Hij speelt ook Pastoor John, de fundamentalistische christen na Dylans bekering in de laten jaren zeventig – een mooie vondst, die de bijbelse beeldspraak van Dylans beste songs in zijn protestperiode onderstreept.

De betreurde Heath Ledger is te zien als Robbie Clark, een acteur die de zanger speelt in een film. In zijn verhaal is Dylans ingrijpende huwelijkscrisis van de jaren zeventig verwerkt, de voedingsbodem van het meesterwerk Blood on the Tracks. Ben Whishaw vertolkt de dichter Arthur, die eruit ziet als Rimbaud (‘Ik is een ander’) maar citaten uit interviews met Dylan in de jaren zestig in de mond krijgt gelegd. Richard Gere is de eenzame cowboy Billy the Kid, die leeft in een land dat is bevolkt door figuren die zijn weggelopen uit The Basement Tapes van Dylan en The Band.

En dan is er nog Cate Blanchett die een Oscarnominatie kreeg voor haar heel precies lijkende vertolking van Jude Quinn: Dylan in het midden van de jaren zestig – toen hij net ‘elektrisch’ was gegaan en dodelijk vermoeid, maar op de been gehouden door amfetamines door Engeland toerde. D.A. Pennebacker maakte daar de fly on the wall-documentaire Dont Look Back over, waar Haynes nauwkeurig naar heeft gekeken.

Dat is alles bij elkaar nogal een rommeltje, maar dat klopt wel. Als Bob Dylan iets is, is het messy. „Ik accepteer de chaos. Ik weet niet of de chaos mij accepteert’’, zegt Arthur in de film. Hinderlijker is dat Haynes voor de meest uitgekauwde historische momenten en levensfasen van zijn onderwerp heeft gekozen. Wat hij daar vervolgens mee doet, is wisselvallig. Er gaapt een gat tussen wat Haynes over Dylan te zeggen heeft en hoe hij het weet te zeggen.

Hij begint met het fameuze motorongeluk in 1966, waarna Dylan zich jarenlang uit de openbaarheid terugtrok. Haynes laat hem in de filmversie – weinig subtiel – overlijden, ‘verzwolgen door het publiek.’ Het moment waarop Dylan ‘electrisch’ ging verbeeldt hij door hem een mitrailleur te laten leegschieten op het publiek – in een misplaatst beeldrijm met de parodie van Sid Vicious op My Way.

Wel weer goed gedaan zijn de twee Dylancitaten, die elkaar meteen aan het begin vruchtbaar tegenspreken: ,,A poem is a naked person’’ en ,,A song is something that can walk and talk by itself” . Daarmee zet Haynes zijn project op een mooie manier tussen haakjes. Als een lied zelf kan lopen, los van de maker, waarom hebben we dan eigenlijk een biopic over Dylan nodig? Twee van de personages verbeelden niet een episode uit Dylans leven, maar uitsluitend een periode uit zijn fantasie en verbeeldingskracht, Cowboy Billy en de zwarte Woody Guthrie. De cowboy staat voor Dylans fascinatie voor het mythische verleden van de Verenigde Staten.

Dat is een mooie aanpak voor een kunstenaarsbiografie. Trefzeker is ook de originele keuze uit Dylans muziek – de selectie is beter dan bij veel Dylanconcerten de laatste jaren.

Maar de eindeloze pastiches en beeldcitaten uit het verleden – uit de film van Pennebaker, een filmpje van Dylan die voor zwarte landarbeiders zingt, platenhoezen, Beatlesfilms, 8,5 van Fellini – hebben ook iets armoedigs. Waarom zou je geen film kunnen maken over een historisch onderwerp in een beeldtaal van nu, vroeg de recensent van het Franse Cahiers du Cinema zich af. Goed punt. Het is op z’n minst curieus dat de zwarte Woody in de film het advies krijgt: ,,Leef in het nu, jongen. Maak muziek van je eigen tijd.”

    • Peter de Bruijn