‘Bob Dylan speelt met Amerikaanse archetypen’

Regisseur Todd Haynes belandde in een midlife crisis. Om eruit te komen moest hij naar Bob Dylan luisteren. „In al mijn films stel ik identiteit als statisch gegeven ter discussie.’’

Todd Haynes Foto Afilm Todd Haynes, regisseur van de film I'm Not There (2007) FOTO: A-Film A Film Distribution

De wind van de Middellandse Zee tilt een reusachtige parasol op en verheft hem even boven het grasveld achter Hotels des Bains. Meteen schieten drie, vier journalisten en PR-medewerkers uit hun stoel om het gevaarte weer in zijn voet te zetten. Regisseur Todd Haynes beziet het gedoe met een dromerige blik. ,,It’s kind of beautiful’’, zegt hij ten slotte.

Wie gewend is geraakt aan haastige groepsinterviews met gapende bijrolacteurs, sterren op de automatische piloot en uitgewrongen regisseurs moet even met zijn ogen knipperen als regisseur Todd Haynes aanschuift om over I’m Not There te praten – bij gelegenheid van de première op het filmfestival van Venetië, september vorig jaar. De Amerikaanse regisseur neemt ruim de tijd, beantwoordt vragen niet alleen volledig, maar nodigt ook uit tot vervolgvragen over hetzelfde onderwerp en vraagt zijn gasten, een kringetje van zeven filmjournalisten, regelmatig om hun mening over het onderwerp. En het onderwerp is vooral Bob Dylan, de centrale figuur in Haynes’ caleidoscopische portret.

Zijn fascinatie voor de muzikant komt naar Haynes’ zeggen voort uit een periode van depressie in 1999 nadat hij de ‘doodvermoeiende’ speelfilm Velvet Goldmine had gemaakt. ,,Ik raakte in een soort midlifecrisis’’, zegt de intussen 47-jarige regisseur. En om eruit te komen moest hij naar Dylan luisteren. Daar ontstond het plan voor een film. En meteen ook het idee van een hoofdpersoon die in verschillende personages uiteen zou vallen. „In al mijn films stel ik identiteit als statisch gegeven ter discussie’’, zegt Haynes. Zijn korte film Superstar. The Karen Carpenter Story (1987) ging over de easy tune -zangeres die zichzelf glimlachend aan het doodhongeren was. In zijn speelfilm Safe (1995) lijdt de hoofdpersoon aan een „omgevingsstoornis’’. In de film waarmee hij in 2002 doorbrak bij een groter publiek, Far From Heaven, probeert een echtpaar zijn ware (seksuele) identiteit te verbergen achter de glansrijke façade van de middenklasse anno 1957. En Dylan, zegt Haynes „gebruikt het spel met identiteit als strategie om zich door het leven heen te slaan.’’ Het waren niet alleen Dylans muziek en teksten die hem aanspraken, maar juist ook die kwikzilveren gedaanteverwisselingen van hem. „Dylan maakte van zijn leven een verzameling Amerikaanse archetypen, heeft de schrijver Allen Ginsberg ooit gezegd. Zijn stijl was een soort badge: dit ben ik nu, straks ben ik weer anders. Dat was van meet af aan mijn uitgangspunt.”

De regisseur rolt aan tafel een wonderlijk bruin sigaretje. Hoe kreeg hij toestemming voor deze film en het gebruik van de muziek van de notoir ontoegankelijke en nukkige Dylan, was de vraag. Dat lukte op een gepast ondoorgrondelijke manier. Van Dylans manager Jeff Rosen hoorde hij dat in zijn verzoek niet moest staan ‘voice of a generation’, niet ‘genius’ of ‘brilliant’ en ook niet ‘Dylan’. Ergens in de zomer van 2003 kreeg hij een telefoontje van Rosen. Dylan had aan zijn manager gevraagd: „So you like this guy? Is he good?’’ En op de twee bevestigende antwoorden van Rosen, keurde Dylan Haynes goed.

Ze hebben elkaar nooit ontmoet, ze hebben elkaar nooit gesproken. Dylan heeft I’m Not There inmiddels op dvd toegestuurd gekregen. Wat hij van de film vindt is onbekend.