Beter dan Janis, Elvis en Bryan Ferry

Concert Kris Kristofferson. 11/3 Paradiso, Amsterdam.

Een beetje stram, een beetje stroef, een beetje kortademig. Op 71-jarige leeftijd is Kris Kristofferson niet meer de krachtigste zanger. Toch was het heel bijzonder om de toonaangevende Amerikaanse songschrijver gisteren meer dan twee uur lang zijn muziek zelf te horen vertolken. Janis Joplin maakte Me and Bobby McGee bekend, Johnny Cash ontfermde zich over Sunday morning coming down en iedereen van Elvis tot Bryan Ferry zong Help me make it through the night. Maar hier stond de man die het zelf allemaal meegemaakt en opgetekend heeft, een legende onder liedjesschrijvers die daar bij dit akoestische soloconcert heel bescheiden mee omging.

Aanvankelijk leek het zelfs iets te sober. Maar juist in de kale eenvoud van die kwetsbare man met zijn stoere vertellingen en poëtische teksten uit bijna vijftig jaar Amerikaanse populaire muziekgeschiedenis, zat een schoonheid die dieper ging dan dezelfde klassiekers in hun bekendere versies.

Dat Kris Kristofferson een groot songschrijver is, mag blijken uit het feit dat het materiaal van het recente album This Old Road nauwelijks onderdoet voor zijn beste werk. Kristofferson is in zijn muziekverleden altijd een geloofwaardig activist geweest, die misstanden op het podium aan de kaak stelde. Dat deed hij nu weer hartverscheurend met liederen over de oorlog in Irak en de Argentijnse Desaparacidos, waarin hij een roerend pleidooi hield om de slachtoffers te gedenken.

Kristofferson heeft niet de tragiek van Johnny Cash op latere leeftijd. Daarvoor oogt hij nog te blakend en is zijn humor te ontwapenend. Als geen ander bezingt hij de vrijheid of het ontbreken daarvan, de zegeningen van de liefde en de wanhoop van de eenzaamheid. Niemand kan zijn Sunday morning coming down zo mooi vertolken als hijzelf: bij de woorden ‘wishing Lord that I was stoned’ zíe je hem over de uitgestorven straten van Nashville zwalken en smachten naar het moment dat de kroegen weer open gaan. In Don’t let the bastards get you down toonde hij een strijdbaarheid die er in de countrymuziek zelden geweest is; hooguit in het werk van Steve Earle met wie hij een sterke verwantschap voelt. Na meer dan dertig songs heerste er onder het publiek een sfeer alsof het geweten van de popmuziek over Paradiso was neergedaald, in de persoon van een heel gewone man die kon lachen om de vraag waar het ooit allemaal zal eindigen.