‘We willen een land zijn dat het wél goed doet’

Selma Leydesdorff schreef een boek over de vrouwen van Srebrenica. Zij zijn door het NIOD ten onrechte genegeerd, vindt zij. „Waarom geven we hun geen genoegdoening?”

Vrouwen van Srebrenica tijdens de presentatie van het boek met hun verhalen, vanochtend in Den Haag. Het boek werd aangeboden aan minister Koenders. Foto’s Roel Rozenburg Den Haag:11.3.2008 Presentatie boek aan vrouwen van Srebrenica. © foto Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Selma Leydesdorff zag wat heel Nederland zag toen Srebrenica net gevallen was, in juli 1995. Politici die op televisie uitlegden waarom de oorlog verloren was, militairen die zeiden dat ze niet anders hadden gekund. Maar ze zag ook de terloopse beelden van huilende vrouwen. Ze vond toen al dat daar te weinig aandacht voor was.

De vrouwen waren met hun kinderen in bussen naar veilig gebied gebracht. Maar de mannen en de jongens – bijna 7.500 – werden gedwongen om achter te blijven. Ze werden, naar later bleek, op gruwelijke wijze vermoord.

Het was het dieptepunt van de burgeroorlog tussen Bosnische Serviërs en Bosnische moslims, die in 1992 begonnen was. Zeer pijnlijk voor de Dutchbatters, die daar namens de VN waren om de Bosnische moslims te beschermen. Ze hadden staan toekijken toen de mannen van de vrouwen gescheiden werden.

Selma Leydesdorff (1949), historicus en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, deed zes jaar onderzoek naar de vrouwen van Srebrenica. Haar boek De leegte achter ons gelaten heeft ze vanmiddag aangeboden aan minister Koenders (PvdA) voor Ontwikkelingssamenwerking.

Ze laat vrouwen erin vertellen hoe hun Servische buren vanaf 1992 hun vijanden werden en hoe ze naar Srebrenica vluchtten, toen nog een safe area. Ze laat hen vertellen over de tocht naar Potocari, toen Srebrenica was ingenomen door de Serviërs. Duizenden mensen in een totale chaos, opgejaagd door Serviërs, die scholden, dreigden, verkrachtten. En dan de paniek toen de bussen kwamen en ze afscheid moeten nemen van hun mannen en zoons. Ze dachten toen al dat ze hen nooit meer zouden terugzien. Maar ze bleven er wel op hopen, soms jarenlang.

Een deel van de vrouwen organiseerde zich en voert actie om erkenning en genoegdoening te krijgen voor wat hun is aangedaan. In juni 2007 klaagden ze de Staat der Nederlanden en de Verenigde Naties aan, omdat zij de belofte tot bescherming niet nakwamen. De rechtszaak moet nog beginnen.

Het NIOD publiceerde in 2002 een rapport van 6.000 pagina’s over Srebrenica. Waarom wilde u daarna dit onderzoek nog doen?

„Omdat het NIOD-rapport niet over deze vrouwen gaat. Ik zag de vrouwen die naar de presentatie waren gekomen boos weglopen. En dat begreep ik.”

Veel mensen vonden dat weglopen toen hysterisch.

„Ik zag vooral het onuitspreekbare verdriet. Ik kom uit een gezin waarin het trauma van de Holocaust speelt. Ik denk dat ik er daardoor wat gevoeliger voor ben.”

Er werd gezegd dat de vrouwen werden gemanipuleerd voor politieke doeleinden. Nederland moest schuld erkennen en betalen.

„Ik denk niet dat vrouwen met zulk verdriet te manipuleren zijn.”

Waarom schreef het NIOD niet over de vrouwen van Srebrenica?

„Het was hun opdracht niet. Het rapport kreeg daarna de status van officiële geschiedschrijving, omdat het de politiek goed uitkwam. Maar geschiedschrijving van een genocide moet drie perspectieven tegen elkaar afwegen: de daders, de mensen die het gezien hebben en de slachtoffers.”

U schrijft in de appendix dat de Nederlandse overheid u geen subsidie voor uw onderzoek wilde geven.

„Daar ben ik nog steeds boos om. Ben Bot [toen minister van Buitenlandse Zaken – red.] vond dat er voldoende onderzoek was gedaan en dat mijn onderzoek niet zou bijdragen aan de verwerking van het trauma van de vrouwen. Ik denk dat hij vooral bang was dat mijn onderzoek meer grond zou geven aan de aanklacht van deze vrouwen.”

Is dat ook zo?

„Ik ben geen advocaat, ik zocht niet naar feiten ten behoeve van de aanklacht. Ik wilde de verhalen horen. Maar al zou mijn boek juridische gevolgen hebben, so what? Waarom geven we deze vrouwen geen genoegdoening? Zouden we er hier één boterham minder om eten?”

U schrijft dat de vrouwen in Nederland irritatie oproepen.

„Die irritatie komt voort uit schaamte en schuldgevoel, net als bij de joden na de Tweede Wereldoorlog. Nederland heeft het gewoon niet zo goed gedaan in Srebrenica. We willen graag een land zijn dat het wél goed doet. Een vrouw vertelde me dat ze verkracht was door een Nederlandse soldaat, en toen ik daarover vertelde in een lezing kreeg ik woedende reacties. Men zei dat het niet waar kon zijn, het was ondenkbaar.”

De vrouwen met wie u sprak waren vaak ook boos op u.

„Ja, in het begin wel. De koffie die ik voor hen meebracht, kreeg ik soms recht in mijn gezicht terug. Ik heb veel tijd moeten besteden aan het opbouwen van het vertrouwen. Ik liet merken dat ik hun verhalen echt wilde horen en dat het niet erg was als het uren duurde, omdat ze het door hun trauma eigenlijk niet konden.”

Stond uw mededogen met deze vrouwen uw objectiviteit als onderzoeker niet in de weg?

„Ik laat in mijn boek doorlopend zien dat het hún kijk is en niet dé kijk. Het is hún standpunt en ik vertel natuurlijk mijn verhaal. En wat is objectief? Van joden wordt ook gezegd dat ze niet over de Shoah kunnen schrijven.”

Wat voegen de verhalen van deze vrouwen nu toe?

„Het zijn de kleine, individuele geschiedenissen die met elkaar de collectieve herinnering bepalen.”

Willen Nederlanders dit wel lezen?

„Dat is de vraag. Ze zouden het wel moeten doen. Het is een morele verplichting om je ook in het perspectief van de slachtoffers te verplaatsen. Nederland heeft te veel met Srebrenica te maken om het zo maar te vergeten. Vooral Dutchbatters zouden de verhalen van deze vrouwen moeten lezen. Het zou hen ook kunnen helpen om te verwerken wat er gebeurd is.”