‘Vrienden’

‘Vrienden voor het leven’ zijn ze niet geworden, Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Dat kon ook moeilijk van ze verwacht worden, gelet op de vele verbroken vriendschappen die hun levens kenmerken. Toch voelde ik enige treurigheid opkomen toen ik in hun onlangs uitgekomen briefwisseling Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel over de futiele oorzaak van de uiteindelijke breuk las.

Uit deze interessante correspondentie blijkt vooral hoe hartelijk hun vriendschap aanvankelijk was. Ze hadden elkaar in september 1947 leren kennen en moeten al snel een grote geestverwantschap hebben gevoeld. Ze lazen elkaars boeken met gretigheid en bewondering en kwamen bij elkaar over de vloer voor etentjes.

„Nu, ik hoop werkelijk dat je het romanschrijven trouw zult blijven”, schrijft Hermans. „Jij moet nog een jaar ten hoogste geduld hebben, dan word je erkend”, praat Reve hem in 1948 moed in.

Er was ook duidelijk een gevoel van lotsverbondenheid: zij, de twee talentvolsten van een jonge generatie, tegen ‘de rest’, „the mental hunchbacks that inhabit the dwarfstate in which we, unluckily, were born”, zoals Reve in zijn ‘Engelse periode’ schrijft.

Met name bij Hermans is een sterk besef van isolement te bespeuren. „Iedereen houdt mij voor een fascist”, klaagt hij in 1955 in een brief die hij afsluit met: „Schrijf mij veel.” En nog datzelfde jaar: „De middelmatigheid en domheid van mijn tegenstanders is zó groot dat ik soms bang ben zelf ook aan de grootheidswaanzin te gaan lijden waar de figuren in mijn verhalen hun krankzinnigheid aan danken.”

Van onderlinge wrijving blijkt in de jaren tot 1959 weinig, al is Hermans wel een kritische vriend. Hij vindt dat Reve zich in zijn vroege verhalen te veel door Tsjechov laat beïnvloeden. „Ten eerste houd ik niet van Tsjechof, ten tweede geloof ik dat het navolgen van zijn manier zeer moeilijk is.”

Ook heeft hij weinig vertrouwen in Reves voornemen voortaan alleen in het Engels te schrijven. Dat hij een goed oog heeft voor het talent van Reve, blijkt uit een nooit verzonden kladbrief uit 1955, waarin hij hem aanraadt zich vooral op ‘een autobiografie’ te richten.

Het gaat pas fout als Reve, redacteur van Tirade, Hermans herhaaldelijk vraagt om bijdragen aan dit „door mij zeer gehate tijdschrift”, zoals Hermans schrijft. „Ik verbaas mij meer en meer dat ik je nooit meer zie”, schrijft Reve in 1959. „Moet ik aannemen dat ik in ongenade ben?’’

Hermans reageert bevestigend, waarop Reve nijdig terugschrijft: „Ik ontzeg u bij deze voor altijd de toegang tot mijn woning en wens mij voor goed van de omgang met uw persoon te vrijwaren.”

Dat was het. De meeste mensen worden boos als ze niet gevraagd worden, Hermans werd het al als hij wél gevraagd werd.

In de daaropvolgende jaren zien we halfslachtige, schriftelijke pogingen van Reve om de vriendschap te herstellen, maar Hermans houdt dat af met stiltes of venijnige terechtwijzingen. Reve kan het op zijn beurt niet laten Hermans af en toe te pesten of op zijn nummer te zetten: „Soms vraag ik me wel eens af, hoe jij kunt leven, met zoveel haat, & zo weinig zelfspot.”

En nu zijn ze dood, morsdood.