Toch maar liever Vogelaar

Sociale politiek of religieuze politiek? Dat is nu de kwestie. Ella Vogelaar of Geert Wilders? Dat is de keuze. Wie denkt dat ik hier retorische vragen opwerp, vergist zich. Voor een helder beleid op langere termijn is het essentieel welk perspectief men kiest. Het integratievraagstuk heeft immers zowel sociale als religieuze en uiteraard culturele elementen, maar voor de toekomst is van wezenlijk belang uit welke richting men het benadert.

Ten onrechte wordt Wilders ervan beschuldigd dat hij maar wat roept in het wilde weg. Hij draagt juist een consistente visie uit op het karakter van het integratievraagstuk, dat in zijn ogen het gevolg is van een te ver doorgewoekerd cultuurrelativisme. Voortbouwend op wat Fortuyn daarover schreef in Tegen de islamisering van onze cultuur (1997), beschouwt hij de islam – ook in zijn liberale varianten – als in essentie strijdig met wat hij wezenlijk acht voor de Nederlandse identiteit. De grondslag van de agitatie van Wilders is een godsdienstpolitieke: de islam moet worden uitgebannen als onverenigbaar met de Nederlandse tradities, inclusief de democratie en de rechtsstaat. Om deze religiepolitiek, die zich niet laat verzoenen met de vrijheid van godsdienst, te kunnen voeren definieert Wilders de islam niet als godsdienst, maar als een vijandige ideologie, waarvan de aanhangers onbekwaam zijn tot deelname aan het democratisch proces.

Door de eeuwen heen heeft de overheid overal, ook in Nederland, religiepolitiek gevoerd. Reformatie en contrareformatie, nationale kerk en wereldkerk, staatsgodsdienst en gewetensvrijheid – altijd heeft de overheid zich bemoeid met de geloofsovertuiging, de kerkelijke gezindheid en daarbij behorende loyaliteiten van haar onderdanen. In een groot deel van de wereld is het vandaag niet anders gesteld. Bovendien leert de geschiedenis dat revolutionaire regimes die zich niet in een geestelijk gewaad hulden, probeerden een seculiere religie in de plaats van het godsgeloof te stellen. Het onderscheid tussen religie en ideologie is relatief – zie de seculiere staatsgodsdiensten die zich op Rousseau of op Marx beriepen.

Alexis de Tocqueville schreef over de Franse Revolutie van 1789 al dat zij zichzelf verhief tot godsdienst, „een incomplete religie weliswaar, zonder God, zonder ritueel, zonder leven na de dood, maar één die niettemin, net als de islam, de aarde overspoelde met zijn soldaten, apostelen en martelaren.” (L’Ancien Régime et la Révolution, 1856).

Of Wilders de islam nu als ideologie beoordeelt (wat ongetwijfeld juist is voor de politieke islam) dan wel als een hem onsympathiek godsgeloof, maakt voor het resultaat niet uit. De geschiedenis leert dat een religieuze overtuiging niet met propaganda, dwang of zelfs geweld kan worden uitgeroeid. Pogingen daartoe zijn in het Jacobijnse Frankrijk, in het stalinistische Rusland, in het Cuba van Castro, in China tot mislukken gedoemd geweest. In de islamitische wereld blijkt de godsdienst massa’s te mobiliseren tegen opgedrongen secularisering en, evenals het christendom elders, ook voor reactionaire politieke doelen te kunnen worden ingezet. Evengoed kan de kracht van het geloof en de inspiratie die het mensen kan geven, werken ten gunste van een humanere samenleving.

Religiepolitiek als hoeksteen van integratiebeleid is tot mislukken gedoemd. De keuze ervoor moet wel leiden tot verdere radicalisering en, consequent uitgevoerd met dwangmiddelen, tot bloedvergieten. Wie het integratievraagstuk beschouwt als de belangrijkste sociale kwestie van deze tijd, zal dus moeten afzien van het instrument van de godsdienstpolitiek en bereid zijn zich door Wilders te laten aanspreken als ‘laffe multiculturalistische elite’, zoals hij alle overige politici omschrijft in zijn ‘Onafhankelijkheidsverklaring’.

Het alternatief is: tabula rasa maken. Schoon schip. Wij doen alsof hier geen moslims wonen en bannen de islam uit. Wij vegen de Nederlandse landkaart schoon. Deze gedachtegang maakt Wilders tot een revolutionair politicus.

Daar tegenover staat een politiek van kleine stappen, gedeeltelijke oplossingen, trial and error. Als een klassieke reformist is minister Ella Vogelaar bezig met schipperen, uitproberen, vallen en opstaan, piecemeal engineering. Het doel daarvan moet zijn geleidelijk sociale veranderingen tot stand te brengen die de samenleving leefbaar houden of weer maken, waar zij in de ogen van verongelijkte autochtonen, of zich gediscrimineerd voelende islamitische jongeren onleefbaar is geworden.

Een dergelijke benadering – beschouw het integratievraagstuk primair als een gebied van sociale hervormingen – levert geen onmiddellijke en definitieve oplossingen. En scoort niet. Naar het schijnt is Vogelaar de minst populaire minister en bovendien geldt zij, volgens een rondvraag in Vrij Nederland, als ‘de slechtste’.

Waarom de slechtste? „Wegens het slappe integratiebeleid.” Om als minister belast met het integratievraagstuk in de peilingen te scoren, kan iemand maar beter ferme taal spreken, de confrontatie zoeken, provoceren, veroordelen, stigmatiseren. Dat doet Vogelaar allemaal niet, dus de conclusie is snel getrokken: zij moet wel een laffe multiculticapitulant zijn.

Het is te vroeg voor een oordeel over het beleid van Vogelaar. Zij ondervindt aanzienlijke problemen bij haar inspanningen voor de verbetering van veertig achterstandswijken. Bij een politiek van sociaal aanmodderen hoort nu eenmaal uitglijden in de modder. Maar mij gaat het om de fundamentele keuze die zij maakt voor een sociale in plaats van een religiepolitiek. Vogelaar verdient op dit punt meer steun en krediet dan zij vooralsnog krijgt, ook uit haar eigen partij. Zij staat meer dan enige andere minister in de frontlinie van de confrontatie met het extremisme van Fitna en het extremisme van de fatwa.

Wouter Bos gebruikt het verkeerde woord – polarisatie – als hij pleit voor een stevig integratiedebat. Standvastigheid is waar redelijke mensen nu behoefte aan hebben: geen duimbreed wijken in principiële kwesties als uitings- en godsdienstvrijheid. Als Bos dat bedoelt: akkoord. Sinds de jaren zeventig staat ‘polarisatie’ echter voor het uitvergroten van minieme programmatische verschillen tussen partijen met het doel binnen de smalle (financiële) marges „duidelijkheid in de politiek” te scheppen. Het is geen begrip dat door politieke tegenstanders van Wilders zou moeten worden toegepast op cultureel of religieus bepaalde verschillen tussen bevolkingsgroepen. Dat raakt precies het principiële onderscheid tussen de PVV-leider en minister Vogelaar.

Reageren kan op nrc.nl/etty (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).

    • Elsbeth Etty