Spanje’s magere jaren

Spanje lijkt op weg naar een tweepartijendemocratie. Sinds de parlementsverkiezingen van zondag domineren meer dan ooit slechts twee partijen: de socialistische arbeiderspartij (PSOE) en de conservatieve Partido Popular (PP). Beide partijen gaan vier zware jaren tegemoet.

Ondanks een bescheiden zetelwinst is de PP de verliezer. De conservatieven voerden de afgelopen vier jaar vooral oppositie door vergaand te polariseren, de regerende PSOE te belasteren en de kiezers bang te maken. In de PP, die ooit de pretentie had het politieke midden te gaan vertegenwoordigen, kreeg de radicale stroming het voor het zeggen. Partijleider Rajoy zal de PP nu moeten ontdoen van deze erfenis die zijn voorganger Aznar hem had achtergelaten.

Ook de PSOE kan niet op haar lauweren rusten. Weliswaar heeft een aantal radicale nationalistische partijen stemmen verloren, evenals de Baskische PNV, die via een ‘referendum’ een vorm van afscheiding van Baskenland wil realiseren. Maar de gematigd nationalistische CiU in Catalonië bleef overeind. De Catalanen kunnen hun positie uitbuiten, omdat de PSOE niet de absolute meerderheid heeft gehaald en afhankelijk is van hun steun. Dat is pijnlijk, omdat premier Zapatero afgelopen vier jaar juist tekort schoot als het ging om de positie van de regio’s. Zo verliepen de onderhandelingen over een nieuw Catalaans statuut chaotisch en mislukten besprekingen met de ETA om die Baskische terreurorganisatie te bewegen geweld af te zweren.

Premier Zapatero is eigenlijk vooral beloond voor zijn immateriële beleid, zoals zijn beslissing direct na de vorige verkiezingen om de Spaanse troepen uit Irak terug te trekken, en zijn steun voor het homohuwelijk. Nu wacht hem een andere opgave. Spanje maakte de afgelopen acht jaar een ongekende economische hausse door, die vooral gedragen is door de woningmarkt. Oorzaak daarvan is met name de invoering van de euro, die de rentes zeer fors naar beneden bracht en een investeringsgolf veroorzaakte. Onder Zapatero zijn 2,7 miljoen huizen gebouwd, bijna viermaal zoveel als begin jaren negentig onder zijn socialistische voorganger Gonzales. Bouwactiviteiten en stijgende woningprijzen fungeerden als steroïden voor de economie. Het gevolg is dat Spanje boven zijn stand leeft, en inmiddels een tekort heeft op zijn betalingsbalans van bijna tien procent. Dat is anderhalf maal zoveel als het Amerikaanse tekort dat als onhoudbaar te boek staat.

Nu de woningmarkt in Spanje inzakt, kan dat tot grote problemen leiden – zeker nu de ook in de rest van de EU de conjunctuur verslechtert. De regering-Zapatero kan de gevolgen dempen door de inzet van het begrotingsoverschot dat zij aan de vette jaren overhield. Tegelijkertijd heeft zij deze bij voorbaat al grotendeels benut door verkiezingsbeloftes als belastingverlagingen en een stijging van het minimumloon. Ondanks deze maatregelen gaat Spanje een aantal magere jaren tegemoet. Zapatero kan hoogstens proberen de schade te beperken. Naast alle andere uitdagingen waar hij voor staat, is dit misschien wel de grootste.