Ineens op bijstandsniveau

De nieuwe regels rond arbeidsongeschiktheid kunnen het inkomen flink doen dalen.

Vooral jongeren en herintreders zijn de dupe.

Illustratie Dik Klut Klut, Dirk;Klut, Dik

Maar weinig gezonde mensen zullen zich verdiepen in de regels rond arbeidsongeschiktheid. Dat zou wel verstandig zijn, want wie door arbeidsongeschiktheid wordt getroffen, kan er in inkomen flink op achteruitgaan. Dit jaar zijn de regels nog strenger geworden.

Arbeidsongeschiktheid wordt sinds twee jaar geregeld in de wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Deze vervangt voor nieuwe gevallen de WAO. De nadruk ligt niet langer op wat een werknemer niet meer kan, maar op wat iemand nog wel kan. Alleen mensen die echt niet meer kunnen werken, krijgen een volledige uitkering.

Werknemers die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, tussen de 35 en 80 procent, vallen onder de WGA (regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten). Uitgangspunt van deze regeling is dat de arbeidsgeschikte blijft werken; het loon wordt zonodig aangevuld met een uitkering. Die is gebaseerd op het laatstverdiende loon. Per 1 januari zijn de duur en hoogte ervan beperkt. Zo is de maximale duur van de loongerelateerde uitkering verkort van vijf jaar naar 38 maanden. Maar er is meer veranderd. Niet langer wordt de duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bepaald op basis van leeftijd. In plaats daarvan telt het arbeidsverleden.

Voor elk gewerkt jaar staat een maand uitkering (met een minimum van drie maanden). Daardoor zien mensen met weinig arbeidsverleden sneller een daling van hun inkomen tegemoet, legt Marcel van der Meulen, directeur Zorg Inkomen van verzekeraar Fortis uit. „Dit treft vooral jongeren en herintreders.” Volgens Van der Meulen krijgen jongeren door de wet een beperkt aantal maanden een uitkering op het niveau van hun oude loon. „Komen ze daarna niet meer aan het werk, dan daalt het inkomen razendsnel”, zegt hij.

Een voorbeeld: een 25-jarige computerprogrammeur – we noemen hem Sander – die vanaf zijn achttiende minstens 52 dagen per jaar in loondienst heeft gewerkt, heeft daarmee het voor zijn leeftijd maximale arbeidsverleden van 7 jaar opgebouwd. Stel Sander verliest door een ongeluk een deel van zijn gezichtsvermogen. Dan krijgt hij bij arbeidsongeschiktheid maximaal 7 maanden een loongerelateerde WGA-uitkering (tot 2008 was dat nog 9 maanden.) Deze uitkering is de eerste twee maanden 75 procent, en daarna maximaal 70 procent van zijn laatstverdiende loon. Dat loon is aan een maximum van 46.200 euro gebonden. Is Sander na zijn studie pas op 23-jarige leeftijd gaan werken, dan heeft hij bij arbeidsongeschiktheid op zijn vijfentwintigste jaar twee jaar arbeidsverleden opgebouwd. Dan krijgt hij maximaal 3 maanden loongerelateerde uitkering.

Is een werknemer na deze periode niet in staat zijn zogenoemde ‘restverdiencapaciteit’ te benutten dan krijgt hij een WGA-vervolguitkering. Dat is een percentage van het minimumloon in plaats van een percentage van het laatstverdiende loon, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. In die situatie kan de computerprogrammeur Sander drie maanden na zijn ongeluk op een inkomen uitkomen van bijstandsniveau van zo’n 600 euro netto.

Van der Meulen benadrukt dat sinds dit jaar dit zogenoemde WGA-gat zes maanden dichterbij is gekomen. „Het is een rampscenario dat iedereen kan overkomen”. Om het WGA-risico te drukken kan een werknemer zich verzekeren. Dit kan privé maar veel werkgevers bieden (binnen de CAO) een goedkoper collectieve verzekering tegen dit zogenoemde WGA-gat, een voortzetting van de WAO-gat verzekering. Belangrijk is dus goed te controleren welk risico precies wordt gedekt.

Reken het effect van arbeidsongeschiktheid op inkomen uit op op werkennaarvermogen.nl

    • Cleo Scheerboom