Bedaagde grenzen

Ik zou ze constanten willen noemen, de drie oude mannen op hun racefietsen. Onafhankelijk van elkaar zie ik ze over de fietspaden schuiven terwijl ik voorbijraas in mijn auto. Ze gaan niet hard, maar hun tred is nog altijd soepel. In de loop der jaren zag ik hun snelheid afnemen; de rimpels werden dieper, de bochels hoger. Eén van hen ken ik bij naam. Die koerste al bij de veteranen toen ik als dromertje debuteerde in de jeugdwedstrijden.

Het is niet ondenkbeeldig dat er vanuit een andere auto een blik op mij geworpen wordt wanneer ik op mijn fietsje het ruime sop heb gekozen. En dat er dan er dan in die auto gedacht wordt: nou, dat is ook niet meer wat het geweest is.

Veel aandacht voor het oud(er) worden tijdens de Boekenweek die morgen begint. Het is een thema dat mij aanspreekt. Ik ben voor de tweede keer oud aan het worden. De eerste ouderdom openbaarde zich toen het lichaam, aftands en gehavend, uit de topsport geknikkerd werd. Je weet het wanneer je erin stapt: dit is voor even. Maar dan vergeet je dat het niet voor de eeuwigheid is. Het einde is een schok, een sterven zonder dood, een graf zonder wormen. Alleen deze wijsheid: alles wat hierna komt zal minder zijn.

Ik geloof niet in de wijsheid van veel oude mensen. Bijna aan het einde van de rit bedenken ze dat wijsheid moet worden geleefd.

Het is niet uit heimwee dat ik nog wel eens op een fiets stap. Dat lijden van vroeger kan me gestolen worden. Ik stel voorwaarden: de temperatuur moet aangenaam zijn, en het mag niet te hard waaien. Maar binnen de voorwaarden bedrijf ik topsport: ik verken mijn bedaagde grenzen. De kruissnelheid mag per jaar afnemen, maar die ligt nog altijd beduidend hoger dan die van de drie oude mannetjes. Ik druk mijn leeftijd uit in gemiddelde kilometers per uur, wat als voordeel heeft dat ik op sommige dagen jaren jonger wordt.

Maar dat is niet alles. Ik hoef de pedalen maar te voelen of vreemde herinneringen worden gewekt. Onmiddellijk betreed ik de geweldige landschappen waar ik me vroeger in een snijdende concentratie doorheen, en vooral overheen heb geworsteld. Alsof de landschappen als een imprint in de spiervezels liggen, direct en moeiteloos uitklapbaar. Alsof ze DNA geworden zijn. Landschappen die door geen koning Alzheimer kunnen worden verwoest – gesteld dat die komt.

Soms spreken mensen me aan op straat. Hoe ze 25 jaar geleden in een volle Franse campingkantine op televisie een bepaalde Alpenetappe bekeken. Blote bast, biertje bij de hand, hoedje op – ‘hup holland’; kinderen in het zwembad. De verbale vakantiekiekjes zijn even strelend als huiveringwekkend: ik ben onderwerp van andermans weemoed.