Als de piramide instort, is het spel voorbij

Het begon zo simpel: dertig procent winst in één jaar. Het liep natuurlijk anders.

Net als in de Gouden Eeuw kende Nederland een echte tulpenbollenmanie.

De doodsbedreigingen die op het kantoor van bollencommissionair Mark van der Poll binnenkomen, lijken serieus. De afpersers eisen geld. Van der Poll duikt onder. Als hij al op pad gaat, laat hij zich begeleid door ingehuurde beveiligers vervoeren.

Maar dat duurt niet lang. De politie ontdekt vrij snel dat de sms’jes zijn verstuurd door Van der Poll zélf. Hij heeft zijn bedreiging geënsceneerd.

Mark van der Poll, kortom, was danig overstuur, in november 2003. Hij was directeur van Sierteelt Bemiddelingscentrum (SBC), een handelaar in bloembollen in Lisse. Van der Poll had hectische tijden achter de rug. SBC had zojuist 112 miljoen euro uitgekeerd aan bevriende bollenhandelaren. Het probleem was: SBC had geen geld om andere partijen waaraan het óók tientallen miljoenen verschuldigd was, te betalen. Enkele weken later ging SBC failliet.

En daarmee kwam de grootste speculatiefraude aan het rollen die zich ooit in Nederland heeft voorgedaan: een piramidespel met tulpenbollen. Deze week begint de rechtszaak.

Van der Poll is één van de hoofdpersonen, de ander is Marco Vrijburg. Beiden zijn zonen van bollenarbeiders uit Lisse. In 2003 waren ze dikke maatjes. Vrijburg was begin 2003 de oprichter van Novacap Floralis, een fonds dat belegde in tulpenbollen. De opzet van Novacap was helder. Novacap zou bollen van de oogst 2003 kopen en deze na een jaar verkopen. Daarbij zou gebruik worden gemaakt van het commissionairshuis SBC van Van der Poll.

Het leek een waterdichte termijnbelegging: tegenover iedere koop van de oogst 2003 stond een gegarandeerde verkoop van de oogst 2004. Aangezien bollen zich vermeerderen als ze in het winterseizoen in de grond zijn geplant, neemt het aantal kilo’s in één seizoen toe. Beleggers zouden hierdoor een rendement van wel dertig procent kunnen maken.

Maar vanaf het moment dat onder bollenhandelaren bekend werd dat Vrijburg bezig was met het opzetten van Novacap, vond een enorme prijsopdrijving plaats. Bollen die in andere jaren een enkele keer van eigenaar wisselden, werden talloze keren verkocht tegen telkens hogere prijzen.

De curator van Novacap, mr. Hans Tiethoff, spreekt van „een exorbitante fraudezaak”. Het gaat „om veel geld, veel emoties en reputaties.”

„De bollen waren een middel om geld te scheppen”, zegt Bert Oosthout. Hij raakte in 2005, na de fraude, als interim-bestuurder bij Novacap betrokken en heeft een gedocumenteerde reconstructie van het bollendrama geschreven. Oosthout: „Vanaf januari 2003 zien we dat de ‘vrienden van SBC’ (een groep bollenhandelaren, red.) hun aanbodlijstjes van bollen bij Van der Poll inleveren. Op de verkoopprijs zit in alle gevallen een opslag van twintig, dertig procent of meer. De oogst 2003 wisselt op papier soms wel tien keer van eigenaar. Deze bollentransacties waren een instrument om de verdeling van het geld van Novacap en andere argeloze beleggers onder de ‘vrienden van SBC’ mogelijk te maken.”

Oosthout eindigt met de vaststelling: „Alles wijst erop dat de oplichting van Novacap is bedacht door de bollenboeren en hun commissionair.” Zijn „onthutsende conclusie” is dat het Openbaar Ministerie en de FIOD (de fraudedienst van de Belastingdienst) niet zijn toegerust om een dergelijke speculatiefraude met succes te doorgronden, laat staan te vervolgen. Ze missen mankracht en expertise en zijn ook niet opgewassen tegen gehaaide advocaten.

In de nazomer van 2003 leek alles vooralsnog voorspoedig te gaan. Novacap had 85 miljoen euro van beleggers opgehaald en daarnaast waren er nog andere beleggers (zie kader). SBC maakte overuren om de aan- en verkooptransacties van de bollen in de administratie te verwerken.

Alleen ging commissionair Van der Poll met zijn aan- en verkopen ver over de beschikbare bedragen van Novacap en andere beleggers heen. Toen hij moest uitbetalen kwam hij tientallen miljoenen tekort. „De carrousel maakte een paar rondjes te veel”, schrijft Oosthout in zijn reconstructie.

Om die gaten te dichten bleek hij vanaf augustus 2003 bollen te hebben ‘verkocht’ aan buitenlandse firma’s, ‘plofmaatschappijen’ die kort tevoren waren opgericht en in december 2003 alweer werden opgeheven. Het is niet in alle gevallen duidelijk geworden wie er achter die firma’s zaten. Ze zouden nooit aan hun verplichtingen voldoen.

De bollenhandelaren hadden verwacht meer geld van SBC te ontvangen dan ze kregen. Toen ze zich beklaagden, werd hen duidelijk dat SBC in acute problemen verkeerde – en dat Van der Poll had gejongleerd met koop- en verkooptransacties. Ze roken onraad en hielden, half november 2003, crisisberaad. Vervolgens ontkenden ze en masse de aankopen van de oogst 2004 te zijn aangegaan.

Dat waren wél de termijnverkopen 2004 van Novacap en andere beleggers. Novacap was er immers van uitgegaan dat tegenover alle aankopen van de oogst 2003 verkopen van de oogst 2004 stonden. Nu beweerden de vermeende kopers van de oogst 2004 dat sprake was van ‘spookbriefjes’.

Naderhand kon Novacap voor de rechter niet bewijzen dat deze koopbriefjes echt waren, omdat ze niet door de kopers waren ondertekend. Het is in de bollenhandel al eeuwen gebruik dat koopbriefjes niet worden getekend, tot de dag van vandaag niet.

Op dat moment stortte de tulpenpiramide in elkaar. De ‘vrienden van SBC’ hadden netto ten minste 50 miljoen euro ontvangen. „Follow the money. De ‘bollenboefjes’ zijn er met het geld vandoor”, zegt Oosthout.

En de beleggers, die waren hun geld kwijt.

Novacap liet onmiddellijk beslag leggen bij bollenhandelaren en diende in april 2004 een schadeclaim in van 83 miljoen tegen de bestuurders van SBC, Hollandsche Bank Unie (die kredieten voor investeerders in Novacap had gefinancierd) en de ‘samenwerkende groep’ van bollenhandelaren.

Een van de gedaagde partijen was Holland Bolroy Markt (HBM), een bedrijf dat eigendom is van Cees van der Velden, de grootste bollenteler van Nederland met meer dan zevenhonderd mensen in dienst.

Mr. Tim de Greve, advocaat van HBM, slaagde er de afgelopen twee jaar in om de zaak te kantelen: niet de bollenhandelaren, althans zijn cliënt HBM, hadden geprofiteerd, maar de beheerders van Novacap en hun commissionair. HBM was slachtoffer, omdat de bollenmarkt eind 2003 door toedoen van Novacap instortte. De Greve: „Er is geen spatje bewijs voor dat de groep die Novacap heeft gedaagd, de boel heeft opgelicht. Dat is flauwekul.”

Ook volgens De Greve was er sprake van een piramidefonds. Maar de bollenboeren waren daar volgens hem helemaal niet voor verantwoordelijk. Het was de schuld van Novacap. De Greve: „Er kwam tientallen miljoenen euro nieuw geld in een markt waarin jaarlijks honderd miljoen omgaat.” Meer geld voor hetzelfde aantal bollen: dan moet de prijs wel omhoog schieten, redeneert hij. „De komst van Novacap leidde tot prijsstijgingen. De zaak moest wel klappen. Als het niet in 2003 was gebeurd, dan in 2004.”

HBM, de bollengroep van Cees van der Velde, heeft volgens De Greve nooit rechtstreeks bollen aan Novacap verkocht of van Novacap gekocht. Maar HBM deed wel veel zaken via commissionair SBC. Toen SBC op 31 oktober 2003 tot uitbetaling overging, ontving HBM dan ook 7,6 miljoen euro op haar bollentransacties die via SBC gelopen waren. Vervolgens was het opmerkelijk genoeg HBM dat het juridische verzet tegen de ingediende schadeclaims van Novacap begon te organiseren.

Advocaat De Greve: „Novacap had de markt verstoord waarvan HBM afhankelijk was. Dat heeft HBM een directe schade van 14 miljoen euro bezorgd.” Cees van der Velden, de eigenaar van HBM, besloot de geleden schade „tot de laatste euro” op Novacap en haar (ex-)bestuurders te verhalen.

Vanaf 2005 zette De Greve alle juridische registers open. Hij zegt: „Novacap dacht: ‘aanval is de beste verdediging’. Terwijl ze zélf achter de fraude zaten, pakten ze alle marktpartijen en legden ze duizenden beslagen, waardoor de tulpenmarkt tot stilstand kwam.” De advocaten van HBM besloten: „Willen jullie procederen? Akkoord, maar dan gaan we tempo maken. Dan gaan we power procederen.”

In de daaropvolgende maanden lekte suggestieve informatie naar de pers. Er verschenen artikelen in kranten over belastende – naar achteraf bleek vervalste – e-mails en met verdachtmakingen dat bij een inval in een loods gegevens waren gevonden waaruit zou blijken dat Willem Holleeder via Novacap geld witwaste.

November 2006 ging Novacap failliet. Curatoren namen de afwikkeling over. De belangrijkste bezittingen van Novacap waren de tulpenbollen die in 2003 waren gekocht – en waarvan de kopers van de oogst 2004 hadden afgehaakt. De bollen bleken nauwelijks nog iets waard. Daarnaast bezat Novacap de vorderingen op de vermeende kopers.

Vorig jaar verkochten de curatoren een deel van de vorderingen. HBU, de betrokken bank, kocht zijn eigen vordering op voor 200.000 euro. Bollenbedrijf HBM betaalde 20.000 euro, waarna de curatoren hun claim op HBM introkken. Hiermee waren ze „van de haak”, zoals curator Hans Tiethoff het noemt. Hij erkent dat deze schikking weinig heeft opgeleverd. HBM is voor 20.000 euro af van de claim dat het bollenbedrijf voor 7,6 miljoen in de carrousel heeft ontvangen.

Reconstructie-schrijver Oosthout: „Het toont aan dat trammelant maken effect heeft. Over de rol van HBU en HBM in de tulpenfraude zal geen rechter zich meer uitspreken.”

Van der Poll had van de administratie van SBC een puinhoop gemaakt, Novacap had de koop- en verkoopovereenkomsten ondanks accountantscontroles niet goed geverifieerd. Vrijburg was geldbelust en hield zijn ogen gesloten voor de veel te hoge prijzen die hij voor de bollen betaalde. Of hij is met open ogen in de val van de bollenhandelaren getuind.

Curator Tiethoff, de veertig ordners van het dossier op de gang van zijn kantoor overziend: „Ik vertrouw niemand in deze zaak.”

In februari 2008 zei Vrijburg tijdens een getuigenverhoor: „Ik wil opmerken dat Novacap en ikzelf veel geld zijn kwijtgeraakt, terwijl andere partijen, zoals HBM, er veel geld aan hebben overgehouden.”

    • Roel Janssen