Zieke, zwakke mensen blijken sterk en geestkrachtig

Tony Kushners Angels in America uit 1991 over de aidsepidemie in de VS is verre van verjaard. In de regie van Ivo van Hove voor TA wordt het een moderne mythologie.

Getrouwde, rechtse mormoon Joe (Barry Atsma) leert de liefde kennen bij joodse intellectueel Louis (Fedja van Huêt). Foto Jan Versweyveld Versweyveld, Jan

Theater Angels in America van Tony Kushner door Toneelgroep Amsterdam. Gezien 8 maart Stadsschouwburg Amsterdam. Tournee t/m 31 mei. Info (020) 5318484 of www.toneelgroepamsterdam.nl.

Leeg, kaal en groot is het podium, en op de immense vloer liggen hoopjes mensen, gezicht in de handen verstopt. Zieke mensen, zwakke, verlaten mensen die dan ineens zo sterk, zo geestkrachtig en zo geestig blijken te zijn. Ze kruipen bij elkaar, of ze laten elkaar in de steek, ze worden bezocht door engelen en demonen uit het verleden. Maar zwak, sterk, goed of boosaardig: vroeg of laat zal God ze wegrapen.

Twee marathonvoorstellingen maakt Ivo van Hove dit seizoen met zijn Toneelgroep Amsterdam. In de eerste, Romeinse Tragedies, was het podium volgezet met videoschermen en andere moderne heisa. Doorlopend moest het oog kiezen waarheen te gaan. In de tweede marathon, Angels in America, kiest Van Hove voor de leegte. Er is een kist met twee dj-grammofoons, er is een infuus, en op het achterdoek wordt wat bewegend behang geprojecteerd: New York, wuivend graan, schommelend kind. Verder is het podium leeg. Op wat ziekenhuiskleding na, is de kleding ook onopvallend. Zonder enige steun van aankleding laat Van Hove de voorstelling geheel dragen door zijn acht spelers, zijn prachtige, sterke, soepele groep spelers; het ensemble dat Toneelgroep Amsterdam al zo lang tot het beste gezelschap van het land maakt, en dat Angels in America tot grote hoogte tilt; na Romeinse Tragedies een nieuw hoogtepunt van het toneelseizoen.

Angels in America van Tony Kushner is een moderne Amerikaanse klassieker uit 1991 die in 1995 door het Ro Theater in Nederland werd opgevoerd, en waarvan in 2003 een tv-serie werd gemaakt met sterren als Al Pacino en Meryl Streep. Tijdens de Reagan-jaren wordt een bont gezelschap aan New-Yorkse homo’s, joden en mormonen getroffen door de aidsepidemie. Angels in America is een woedend stuk tegen conservatief Amerika dat zijn ogen sloot voor de epidemie, en dat überhaupt haar ogen sloot voor de dingen die minder goed gingen in de VS, om het nieuwe optimisme en het goede humeur dat Reagan meebracht niet te bederven.

Reagan is dood en in het Westen is aids min of meer onder controle. Toch is Angels in America niet verjaard. Omdat slecht zorgen voor zieken, en buitensluiten van iedereen die niet helemaal in het gareel past, zeker niet is voorbehouden aan de VS in de jaren tachtig. Maar vooral omdat Kushner dit alles inbedt in een vervoerende apocalyptische fantasie, die ver boven de harde wereld van het neoliberalisme uitstijgt, en waarin vele grote onderwerpen voorbijkomen: de migrantenstaat, meedoen met je nieuwe land of altijd je oude land met je meedragen; de botsing van identiteiten; wie je bent, en wie de anderen in jou zien (jood, homo, neger). En groter: stilstaan, terugdraaien of eeuwig veranderen. En van doorgeschoten individualisme voorzichtig terugzoeken naar collectiviteit.

Van Hove heeft Kushners epos teruggebracht van zeven uur naar vijf uur met een ruime pauze. Ondanks de soap-achtige hoeveelheid personages, verhaallijnen en korte scènetjes, houdt hij alles helder, en blijven de lange lijnen zichtbaar. Het harde realisme krijgt mooie contrapunten in de hallucinatiescènes, waarin de personages troost en inzicht krijgen van engelachtige figuren. Dankzij deze surrealistische scènes, en doordat Kushner de aidsepidemie verbindt met een naderende eindtijd, krijgt Angels in America de omvang van een moderne mythologie.

Zoals Van Hove eerder jaren zeventig popliedjes van Neil Young (Opening Night) en Herman van Veen (Scènes uit een huwelijk) gebruikte om de emoties te verdiepen, zo doet hij nu een mooie greep in zijn collectie Bowie-platen. Heroes, Rock ‘n’ Roll Suicide, Wild is the Wind; ze lijken allemaal voor dit stuk te zijn geschreven.

De mooiste rollen worden ook het mooiste ingevuld. Eelco Smits speelt de zachte, vrouwelijke homo die aids krijgt. Hij maakt hem verrukkelijk vlinderachtig en gevat, en aangrijpend in zijn woede en wanhoop. Hij vindt zijn pendant in Hadewych Minis, die een mormoonse, aan valium verslaafde huisvrouw speelt, wier man ontdekt dat hij homo is. Schakerend tussen ingeleefde wanhoop en gelukszaligheid, en geestige nuchterheid, laat Minis zien hoe deze vrouw haar waanzin koestert, als anti-gif tegen de harde buitenwereld. Het moet niet makkelijk zijn om een goed mens zonder probleem te spelen, toch maakt Roeland Fernhout een fantastische rol van zijn zwarte drag queen verpleger, de lieve doodsengel die een onwaarschijnlijke band krijgt met een rabiate rechtse advocaat Roy Cohn.

Hans Kesting speelt die Cohn, een in-slechte mannetjesmaker – gebaseerd op een historisch figuur. Hij heeft daarmee de lekkerste rol, en hij maakt daar ook het meeste van. Cohn is een jood en kasthomo die een hekel heeft aan homo’s en joden, omdat zij volgens hem hun losers-status koesteren. Hij is de All-American Bokito die alleen gelooft in macht, en die begrijpt dat Amerika slechts geschikt is voor de allersterksten.

Zoals Cohn consequent geen medelijden heeft met zichzelf, en Kusnher hem keihard laat creperen, zo probeert Kesting ook geen sympathie voor zijn personage te winnen. Hij speelt hem hard en groot, en dankzij zijn retorisch talent gaan we toch met deze Cohn mee.

Kesting was al genomineerd voor de Louis d’Or. Met deze gevallen koning Cohn erbij kan de grote toneelprijs hem niet meer ontgaan.