Politici, handen af van de ECB

De Franse pogingen een politiek tegenwicht te vormen tegen de Europese Centrale bank, moeten fel worden bestreden, betogen Roel Beetsma en Sylvester Eijffinger.

Eens in de zoveel tijd klinkt een bekend geluid uit de Franse hoek, namelijk dat de Europese Centrale Bank (ECB) verantwoordelijk is voor de hoge waarde van de euro en daarmee voor de lage economische groei en hoge werkloosheid die sommige landen, waaronder Frankrijk, ondergaan. De ECB is te machtig en moet daarom een politiek tegenwicht krijgen in een soort van ‘economische regering’ van Europa. Daartoe probeert Frankrijk de eurogroep, de ministers van Financiën van de eurozone, een zwaardere rol te geven. Andere landen hebben dit idee, terecht, naar de prullenbak verwezen.

Nu komt het Franse geluid uit een wel heel vreemde hoek. Het Internationaal Monetair Fonds, altijd pleitbezorger geweest van fiscale en monetaire discipline, pleit nu bij monde van zijn nieuwe Franse baas Dominique Strauss-Kahn voor een politiek tegenwicht voor de ECB, nadat hij eerder al had aangedrongen op een globale fiscale impuls, in navolging van de Verenigde Staten, om de verwachte teruggang in de mondiale economie tegen te gaan. Strauss-Kahn’s uitspraken kunnen wellicht verklaard worden als zijnde een tegenprestatie aan president Sarkozy, omdat deze zijn kandidatuur voor de hoogste baan bij het IMF krachtig heeft gesteund.

Deze recente ommezwaai van een gezaghebbend instituut als het IMF is schadelijk voor het vertrouwen in de ECB en zijn beleid. Een centrale bank behoort onafhankelijk te zijn van de politiek om een geloofwaardig monetair beleid gericht op een lage en stabiele inflatie te kunnen voeren. Een centrale bank die onder politieke invloed staat wordt in de regel gedwongen om overheidstekorten te financieren en om het monetaire beleid te verruimen zodra de verkiezingen voor de deur staan. In de afgelopen twee decennia is de inflatie in de westerse wereld en een groot aantal landen daarbuiten dramatisch gedaald en dit is in de eerste plaats het gevolg geweest van de trend om centrale banken meer onafhankelijkheid te geven. Als er één les is die beleidsmakers en politici van economen hebben kunnen leren, dan is het dat monetair beleid de economische groei en werkgelegenheid niet systematisch kan vergroten. Weliswaar kan een monetaire verruiming op korte termijn een gunstig effect hebben op de economie, maar een voortdurende monetaire verruiming wordt op den duur meegenomen in de inflatieverwachtingen door de private sector en verliest daarmee zijn effectiviteit. Het enige wat dan nog resulteert, is een hogere inflatie. De beste bijdrage die een centrale bank aan de economische groei en werkgelegenheid kan geven is een lage en stabiele inflatie.

Succes maakt mensen zelfgenoegzaam. Na decennia van lage inflatie denken we dat het niet zo’n vaart zal lopen als de invloed van de politiek op de centrale bank weer toeneemt en het monetaire beleid wordt verruimd. Dit is in ieder geval de indruk die de VS geven. Ondanks oplopende inflatie (tot boven de 4 procent) heeft de Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve, de rente in de afgelopen twee maanden drastisch verlaagd, zodat nu sprake is van een negatieve korte reële rente. Kritiek op dit beleid wordt gepareerd met de opmerking dat de monetaire verruiming straks wel weer wordt teruggedraaid als het weer beter gaat. Niemand weet echter wanneer dit het geval zal zijn. Daarnaast zijn er in het monetaire beleid ook ‘long and variable lags’ à la Milton Friedman. Als dit losse beleid lang aanhoudt, dan zal de economie zich instellen op hogere inflatieverwachtingen en zal het aantrekken van de monetaire teugels steeds kostbaarder worden in termen van groeiverliezen. De goedkope dollar is allereerst het resultaat van het Amerikaanse begrotingsbeleid en het gedrag van de private en publieke sector om zich steeds dieper in de schulden te steken om de te hoge bestedingen op peil te houden. Deze problemen zijn versterkt door de drastische monetaire verruiming door de vorige Fed-voorzitter Alan Greenspan na het inklappen van de ‘dotcom’ bubbel. Met deze verruiming werd ook een kiem gelegd voor de huidige problemen in de Amerikaanse huizen- en hypothekenmarkt en dus voor de huidige kredietcrisis.

Degenen die een drama maken van de hoge waarde van de euro, en de ECB daarmee in het beklaagdenbankje zetten, vergeten gemakshalve dat de dollar ook ten opzichte van andere belangrijke munten gedaald is. Daarbij is het ook zo dat de meeste handel van de landen in de eurozone onderlinge handel is. Een mogelijke daling van de waarde van de euro ten opzichte van de dollar zal dus slechts een beperkt effect op de Europese export hebben. De Franse economische problemen zijn, net als de beroemde kazen en wijnen, een typisch ‘produit de France’. Machtige vakbonden en verouderde arbeidsverhoudingen, hoge belasting- en premiedruk, vroege pensionering, korte werkweken, een gebrek aan concurrentie in de dienstensector en zwakke knieën als het op hervormingen aankomt. Deze combinatie is een 100 procent garantie op een structureel zwakke economie en dat probleem is niet op te lossen door de ECB aan politieke banden te leggen.

Ook zonder politiek tegenwicht wordt met het vernieuwde Europese Verdrag de positie van de ECB al flink verzwakt. Vanaf 2009 wordt het mogelijk de statuten van de ECB te wijzigen met een gekwalificeerde meerderheid aan stemmen, waar dat voorheen alleen met unanimiteit kon. Zo is het ook onder het nieuwe Verdrag mogelijk om de ECB bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen van de Europese ministers van Financiën te dwingen in te grijpen in de valutamarkt, wat ertoe kan leiden dat de ECB door de politiek gedwongen zou kunnen worden om de waarde van de euro te laten dalen. Zo’n waardedaling van de euro zou samen kunnen gaan met een versoepeling van het monetaire beleid en ondermijnt het vertrouwen in de ECB.

Deze veranderingen in de positie van de ECB zullen waarschijnlijk niet op korte termijn tot een versoepeling van het monetaire beleid leiden maar zouden dat wel kunnen op langere termijn. Door de vergrijzing zal de druk op de toekomstige overheidsfinanciën toenemen. Dit zal het meeste het geval zijn bij grote landen met een hoge staatsschuld en genereuze pensioenstelsels die op omslagstelsels gebaseerd zijn. De meeste druk kan verwacht worden uit de hoek van Italië en Frankrijk, maar ook Duitsland zou om die reden druk kunnen uitoefenen op de ECB. Het idee dat Duitsland zich tot in lengte der dagen zal opwerpen als beschermer van de onafhankelijkheid van de ECB kan een bittere illusie worden. Onder de vorige regering van Gerhard Schröder heeft Duitsland ook lak gehad aan het Stabiliteits- en Groeipact, dat het nota bene zelf in het leven heeft geroepen. De kans dat Duitsland in de toekomstige decennia een keer een regering zal krijgen die zich minder gelegen laat liggen aan de positie van ECB is niet ondenkbaar. Merk ook op dat de huidige Duitse regering heeft ingestemd met het nieuwe Verdrag en de daarmee gepaard gaande verzwakking van de positie van de ECB.

Het nieuwe Verdrag zal wel geratificeerd worden. Het is echter belangrijk niet verder in daad en woord te morrelen aan de positie van de ECB. Oproepen om aan de ECB een politiek tegenwicht te geven in de vorm van een ‘economische regering’ voor de eurozone moeten met alle macht door onze beleidsmakers en politici bestreden moeten worden.

Roel Beetsma is hoogleraar macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam. Sylvester Eijffinger is hoogleraar monetaire economie aan de Universiteit van Tilburg.