Irak wordt zeker geen Al-Qaedistan

In Irak blijven om tegen wereldorganisatie Al-Qaeda te vechten is onzinnig, zegt Olivier Roy. Daarvoor moeten we eerder in Afghanistan zijn. In Irak spelen lokale kwesties.

Wat er zal gebeuren als de Amerikaanse troepen weggaan uit Irak? Natuurlijk weet niemand dit zeker. Maar ik kan wel zeggen: Al-Qaeda zal niet de macht grijpen en een islamitische staat vestigen.

Te veel westerlingen zien Al- Qaeda nog altijd als een organisatie die streeft naar de verdrijving van de christenen en joden uit het Midden-Oosten, teneinde onder de paraplu van een kalifaat een ‘Dar al-Islam’ (land van de islam) tot stand te brengen. Al-Qaeda is geen voortzetting van de Moslimbroederschap, Hamas of Hezbollah. Het is een wereldorganisatie die nooit heeft geprobeerd een islamitische staat te stichten, zelfs niet in Afghanistan, waar het in de jaren negentig een toevlucht vond.

Al-Qaeda rekruteert onder achtergestelde jeugd, die meestal geen directe banden met de geplaagde landen in het Midden-Oosten heeft. Westerse moslims van de tweede generatie, bekeerlingen, Saoedi’s, Egyptenaren en Marokkanen vormen de hoofdmoot van de rondtrekkende Al-Qaeda-jihadisten – geen Afghanen, Palestijnen of Irakezen. Al-Qaeda heeft niet de benodigde lokale wortels om de macht te grijpen.

De strategie van Al-Qaeda is om eerst rechtstreeks de grote jongens aan te pakken – of liever gezegd: de Verenigde Staten – en daarbij niet uit te gaan van de feitelijk toegebrachte schade (geldelijke kosten, aantal doden) maar van het beeld, de media-invloed en de gezaaide angst.

Het spiegeleffect van aanduidingen als een „botsing van beschavingen’ versterkt natuurlijk nog die uitwerking. In wezen heeft Al-Qaeda die demonisering nodig, want daardoor wordt het wat het niet is: de voorhoede van de ‘moslimtoorn’.

Al-Qaeda gaat waar de Amerikanen gaan, terwijl het Amerikaanse leger gaat waar Washington denkt dat – op een dag – Al-Qaeda misschien zal zijn.

Ten tweede probeert Al-Qaeda bestaande conflicten te kapen en tot onderdeel van de mondiale jihad tegen het Westen te maken.

Toch hebben de internationale islamistische groeperingen in Bosnië, Tsjetsjenië, Afghanistan en nu Irak de lokale en nationale conflicten niet naar elders weten te verleggen en spelen ze alleen de rol van helpers. De sleutelfiguren in de lokale conflicten zijn de lokale spelers: de Talibaan in Afghanistan, de verschillende sunnitische en shi’itische groeperingen in Irak, de Hezbollah in Libanon. Deze groeperingen staan niet onder leiding van Al-Qaeda.

Al-Qaeda heeft alleen buitenlandse vrijwilligers in de strijd weten te betrekken, vrijwilligers die meestal niet de plaatselijke politiek begrijpen en alleen steun onder de lokale bevolking genieten zolang ze tegen een gezamenlijke vijand vechten, zoals de Amerikaanse troepen in Irak.

Maar hun agenda is totaal anders: de lokale spelers, islamistisch of niet, willen een politieke oplossing op hun eigen voorwaarden. Zij willen geen chaos of wereldjihad. Zodra er een discrepantie is tussen het ‘zwartste scenario’ dat Al-Qaeda voorstaat en een mogelijke lokale politieke oplossing, kiezen de lokale spelers de lokale oplossing.

De Bosniërs gooiden de radicale buitenlandse strijders eruit zodra ze hun onafhankelijkheid bereikten; de gewone Talibaan-soldaten weigerden voor Al-Qaeda te sneuvelen toen na 11 september 2001 westerse troepen Afghanistan binnenvielen.

In Irak zijn veel sunnieten, ook salafisten, niet alleen gekant tegen de Al-Qaeda-tactiek van de willekeurige zelfmoordaanslagen, maar ook tegen de strategie van confrontatie met de shi’ieten.

De kwestie is dat Al-Qaeda een rol speelt in de verheviging van de conflicten maar niet in staat is ze te coördineren. De lokale, nationale, tribale of godsdienstig-sectarische kanalen zijn sterker.

Al-Qaeda rekruteert veelal bepaalde plaatselijke organisaties die optreden binnen een beperkt gebied of taalkundige regio, met hun eigen geschiedenis. Deze groeperingen verklaren zich dan met Al-Qaeda verbonden. Ze zijn te vinden in Indonesië (Jemaah Islamiyah), in de noordelijke Sahel (de Salafistische Groep voor Prediking en Strijd, die in januari 2007 haar naam heeft veranderd in de Al-Qaeda Organisatie in de Islamitische Maghreb), Noord-Libanon (derde-generatie, maar nog altijd ontwortelde Palestijnse vluchtelingen), in de sunnitische driehoek van Irak (met de groep van wijlen Abu Musab al-Zarqawi), en in Saoedi-Arabië en Jemen (‘Al- Qaeda-organisatie op het Arabische Schiereiland’).

Maar deze organisaties hebben Al-Qaeda niet nodig om te rekruteren of te functioneren. Als ze zich achter Al-Qaeda scharen is dat omdat ze moeilijk een lokaal doel kunnen kiezen of verwezenlijken. Ze mondialiseren bij gebrek aan beter.

Kortom, er zijn voor de Verenigde Staten misschien goede redenen om in Irak te blijven, maar die hebben niets met Al-Qaeda te maken; die hebben meer te maken met ‘damage control’. Als de Amerikaanse troepen weggaan, komt er misschien een burgeroorlog, groeit misschien de Iraanse invloed, wordt Irak misschien het slagveld waar Saoedi-Arabië en Iran elkaar te lijf gaan. Er komt misschien een sunnitische zone, een shi’itische staat en een onafhankelijk Koerdistan, maar er komt geen Qaedistan.

Het zou beter zijn geweest om de westerse troepen te concentreren in Afghanistan, dat de echte bakermat van Al-Qaeda is geweest. Als maar een deel van de hersens en wapens die zijn ingezet tegen de ‘opstand’ in Irak zouden zijn ingezet in Afghanistan, in plaats van de voortdurend gekleineerde NAVO-troepen met weinig kennis van het land, zou de toestand er beter hebben voorgestaan.

Maar evenmin als elders in het Midden-Oosten is er in Afghanistan een militaire oplossing, alleen een politieke: met de lokale spelers tot zaken komen en de onzinnige gedachte van een ‘wereldoorlog tegen de terreur’ laten varen.

Olivier Roy is verbonden aan het Franse Centre National de la Recherche Scientifique. Hij is auteur van ‘De globalisering van de islam’ en ‘Islamist Networks'. © Tribune Media Services International