Heeft u nog iets aan de Internationale Vrouwendag gedaan?

Onder normale omstandigheden zou ik door de Internationale Vrouwendag zijn heen geslapen zoals ik ook altijd heen slaap door Vaderdag, Alzheimerdag, Goudse kaasdag, of inburgeringsdag. Maar toevallig werd ik donderdag, aan de vooravond dus, opgebeld door een verslaggeefster van het gratis dagblad Dag die me vertelde dat ze daar onderzoek hadden verricht naar de man-vrouwverhouding in het krantennieuws.

„Gunst!”, zei ik.

„En gebleken is”, vervolgde het meisje dat heel lief klonk, „dat in maar 22 procent van de berichten sprake is van een vrouw.”

Ze hadden daar bij Dag dus niet zozeer nieuws gegaard als wel zitten turven.

„Wat is uw reactie?”

Die vraag had ik al gevreesd.

„Tweeëntwintig procent?”, herhaalde ik, om tijd te winnen.

Intussen vlogen allerlei subvragen door mijn hoofd. Zouden ze de gegevens nog hebben uitgesplitst naar type vrouw – ik bedoel: oud, jong, mooi, lelijk, opleidingsniveau, geloof, geaardheid, huidskleur? En was ook het soortelijk gewicht van de personen in kwestie meegewogen, dus hadden ze bijvoorbeeld één bericht over Neelie Kroes of Hillary Clinton even zwaar laten tellen als twintig berichten over Johan Cruijff?

„Tweeëntwintig procent”, bevestigde het meisje met een ondertoon van nou-jij-weer in haar stem.

„Is dat véél, of valt het juist wat tegen?”, hoorde ik mezelf vragen. „Je zou misschien eerst moeten weten of het percentage in vergelijking met cijfers van veertig jaar geleden gelijk is gebleven of dat er toen, los van Marga Klompé, helemaal nooit iets over vrouwen in de krant stond.”

„Maar wat is uw reactie?”, hield ze zich aan haar à propos.

Ze had de interviewtechniek van Peter van Ingen die in Buitenhof burgemeester Cohen van Amsterdam te gast heeft, één voor één de thuis bedachte vragen van een papiertje opleest, en niet eens meer véinst dat hij naar de antwoorden luistert.

„Ik weet het echt niet, mevrouw”, probeerde ik me gewonnen te geven. „Ik zou eerst willen weten hoe representatief uw onderzoek was. Over hoeveel maanden of jaren heeft het zich uitgestrekt?”

„Over een week”, zei ze.

Een week.

Zouden ze daar nog pieken en dalen in hebben waargenomen? Misschien had dat interessante uitkomsten opgeleverd waaruit je – met alle slagen om de arm natuurlijk – alvast het begin had kunnen formuleren van de hypothese dat vrouwen op maandag significant vaker in het nieuws zijn dan op woensdag of vrijdag, en wat daar achter kan zitten. En omdat een week toch enigszins aan de korte kant was geweest, zou dát weer tot het besluit hebben kunnen inspireren om internationaal langjarige deelonderzoeken op te zetten, waarmee de academische vrouwenstudies ook weer een paar semesters vooruit konden.

Zo zou ik nog even hebben door gedroomd, als ik niet tot de orde was geroepen door het meisje, dat nu een stuk strenger klonk dan toen ze was begonnen.

„Dus u hééft geen reactie”, stelde ze vast, en wenste me nog een goede middag.

Waarom had ik die tweeëntwintig procent ook niet meteen uit de grond van mijn hart schandelijk genoemd? Geen reactie! De kans dat ik nog eens aan het woord mocht komen in stand.nl kon ik nu wel op m’n buik schrijven. En Dag heb ik de volgende ochtend niet van Albert Heijn durven meepakken.

Nadat ik dit weekeinde vijf kranten had gelezen en op hun nieuwssecties had geturfd, kwam ik overigens op bijna 48 procent. Net zou ik dus aan een ingezonden brief naar Dag zijn begonnen, toen het tot me doordrong dat de vrouwen natuurlijk extra in het zonnetje waren gezet omdat ze hun Internationale Dag hadden.

Dat is altijd hetzelfde. Eén dag hebben ze aandacht voor vader, Alzheimer, Goudse kaas, inburgering en vrouw – en dan moeten we weer een heel jaar zonder.