Een gillende sopraan is ontroerend

Het was vrouwendag zaterdag, dinsdag begint de boekenweek, over twee weken is het Pasen, er is enórm veel aan de hand, ook op de televisie. Soms, op zondag, kun je wel eens precies het gevoel hebben dat je van de televisie het liefst wilt krijgen: dat van overvloed. De zondagochtend programmering is de beste van de hele week, op alle drie de netten: op 3 vaak uitstekende kinderprogramma’s (Willemspark, Villa Achterwerk, Polleke) op één Boeken en Buitenhof en op twee De Wandeling, Het vermoeden, vaak een bijzondere documentaire en NPS Matinee. En dan krijg je ’s middags óók nog NPS Arena met De kunst dat steeds meer het zo lang gemiste gezellige kunstcafé op zondagmiddag wordt.

En het was ook allemaal goed gisteren. Maar vooral was geweldig de NPS Matinee over de Hongaarse componist Györgi Ligeti. Televisie is voor weinig dingen zó geschikt als voor de introductie van een componist of een muziekwerk, omdat je een en ander kunt laten horen, kunt laten zien, én kunt uitleggen met behulp van verschillende musici en instrumenten. Zo was er nu een violiste die vertelde dat ze niet bang was om lelijke geluiden te maken, wat je niet moet zijn bij Ligeti, maar die ook liet horen dat hij wonderlijk mooie muziek voor de viool heeft geschreven. Er was een pianist die sommige technieken demonstreerde. Maar het hoogtepunt was een voor de concertzaal bewerkt fragment uit de opera Le grand macabre, waarin we een in netkousen en leren jas geklede zangeres de trap van een concertgebouw af zagen komen rennen, geschrokken, quasi buiten adem, die alles in het werk stelde om de dirigent en de zaal voor iets te waarschuwen waarbij ze ongelooflijk hoge en verschrikte geluiden maakte. Coloratuur sopraan Barbara Hannigan zei daarover doodkalm: „Hij weet zo goed hoe je voor de stem moet schrijven”. Dat zou je niet zeggen, grijnsde ze er wel achteraan, maar „het is gewoon perfect”. En ze zei ook nog dat het stuk zo evenwichtig was dat het publiek wel ontroerd móest worden – en dat was ook zo, merkwaardigerwijs. De angst werd werkelijk voelbaar, zo gestileerd in deze hevige hoge noten. Prachtig. Vanavond laat wordt een concert van Ligeti uitgezonden. Wel zonder uitleg. Dus misschien alleen geschikt voor degenen die gisterochtend gekeken en goed opgelet hebben.

Misschien kan Hadassa de Boer, die hier de toelichtingen verzorgde en die ook zondagmiddags onvermoeibaar naar allerlei kunst op zoek gaat om die aan ons voor te stellen, eens een prijsje krijgen? Voor cultuurbevordering en niet-tuttige cultuureducatie? Zij is min of meer de personifiëring geworden van die taak van de publieke omroep, zij én haar redactie natuurlijk.

En dan was er, in een mengeling tussen muziek, poëzie en religie ook Jan Rot, die in Het vermoeden aan Annemiek Schrijver vertelde hoe hij tot zijn Nederlandse tekst voor Bachs Mattheüs Passie gekomen was en waarom hij zich ook sommige dramatische ingrepen veroorloofd had. Zijn bewerking was een ongelooflijk succes toen die een paar jaar geleden verscheen. Rot lichtte sommige passages eruit die hij in het origineel saaier dan nodig vond, zoals die waarin de vrouw van Pilatus zich tot haar man richt. Dat kon sterker, had hij gevonden, zodat ze nu zingt: „Je moet hem redden!”. Het publiek in de zaal, zo stelde hij zich voor, zou dan denken: ze hebben zoveel veranderd, misschien loopt het deze keer wel goed af. Hij sprak buitengewoon geïnvolveerd over zijn tekstbewerking en zijn geschiedenis met de Matthëus, zelfs zei hij op een gegeven moment met een bijna verlegen grijns: „Ik ben zeer veel van Jezus gaan houden” zonder dat dat in het minst EO-achtig klonk. Het was ook geen reli-praatje, het was een gesprek over betekenis.

En dit was nog lang niet alles hoor. Bij Boeken bijvoorbeeld zat schrijver en psycholoog Douwe Draaisma. Je zou dezer dagen bijna medelijden met hem krijgen, je kunt de radio of de televisie niet aanzetten, de krant niet openslaan of daar is Draaisma bezig uit te leggen dat het geheugen géén spier is. Onthoud dat nu eens mensen!