Barmhartig op vakantie, is dat zinvol?

Steeds meer mensen kiezen voor vakantie in een arm land.

Dat is prima, want als toerist kun je direct bijdragen aan armoedebestrijding.

Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

Veel reisorganisaties bieden reizen aan naar ontwikkelingslanden – bestemmingen waar een groot deel van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Het dagelijkse budget van de toeristen ligt vele malen hoger dan dat van de lokale bevolking. Valt het wel te billijken dat je vakantie viert in een omgeving waar mensen niet als vanzelfsprekend toegang hebben tot schoon water, voldoende voedsel, gezondheidszorg en onderwijs?

Laten we eerst een misverstand uit de wereld helpen. Armoede betekent niet per definitie ‘misère’. Er is niet overal honger en er heersen niet overal epidemieën. De levensstandaard mag ver af staan van wat westerlingen acceptabel vinden, maar ook in ontwikkelingslanden wordt geleefd, gelachen, gegeten, gewoond en gewerkt. En toeristen zijn er welkom. Sterker nog, veel ontwikkelings- en reisorganisaties beschouwen het toerisme als het middel om het leven van arme bevolkingsgroepen naar een hoger plan te trekken.

Geef ze eens ongelijk. In de toeristensector zijn veel mensen actief, onder wie veel laaggeschoolden: hotelpersoneel, chauffeurs, gidsen, souvenirverkopers en handwerkslieden. Daarachter zitten allerlei toeleveringsbedrijven voor levensmiddelen, vervoer en brandstof. Als het werk in toerisme zodanig is georganiseerd dat het geld belandt bij de lokale bevolking, levert elke toerist een directe bijdrage in de strijd tegen armoede.

Voorwaarde is dat werk in het toerisme zoveel mogelijk in handen is van de lokale bevolking, zodat het geld niet wegstroomt naar westerse investeerders of staatsbedrijven. De keuze voor bepaalde reisorganisaties of hotels is dus van belang. Gelukkig worden veel reisorganisaties steeds kritischer, en toeristen steeds mondiger. Ze hoeven alleen maar te vragen in hoeverre aan deze voorwaarde wordt voldaan.

En er is meer. Sommige organisaties zetten in samenwerking met de lokale bevolking projecten op waar toeristen kennis kunnen maken met de cultuur en bepaalde bestaansmiddelen zoals een koffieplantage of een naaiatelier. Hiervoor worden dan gidsen opgeleid die bezoekers rondleiden, er komen eenvoudige gastenverblijven die tegemoet komen aan de wensen van westerlingen, er worden lokale maaltijden geserveerd. Het mes snijdt aan twee kanten: toeristen komen op respectvolle maar informele wijze in contact met de bevolking en ze leren iets over het lokale leven. Tegelijkertijd schept hun bezoek werkgelegenheid en doelgerichte opleidingen voor de lokale bevolking. Idealiter komt het tot een uitwisseling van ideeën en ervaringen.

Via reisorganisaties kan toerisme dus een bijdrage leveren aan de armoedebestrijding. Als toerist zelf kun je bovendien de gids, kok, chauffeur en andere dienstverleners extra steunen door ze een fooi te geven als aanvulling op het salaris.

Toeristen opperen soms dat men door het geven van fooien het systeem van lage lonen in stand houdt. Volgens die optiek zou het geven van fooien onjuist zijn. Echter, het is een illusie om te denken dat er iets aan uitbetalingsregelingen zou veranderen door na te laten een fooi te geven. Het treft juist de dienstverleners die met de toeristen meereizen, en die medeverantwoordelijk zijn voor het welslagen van de reis. Een fooi is een persoonlijke beloning voor geleverde diensten. Directer kan hulp tegen armoede niet zijn.

Waar de toerist het gastland met respect betreedt, zal hij ook met respect worden ontvangen.

Jolijn Geels woont in Agadez, een stadje in Niger aan de zuidrand van de Sahara. Ze is auteur van het boek ‘Duurzaam reizen in de praktijk’ (2007).

Meer over het boek van Jolijn Geels op duurzaamreizen.com