Verzekering voor te veel bijzondere ziektekosten

Er zijn twee redenen waarom de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) niet meer voldoet: de snel stijgende kosten en de omslachtige manier waarop die in de hand worden gehouden. De kosten stijgen door het groeiende aantal hulpbehoevende ouderen, maar ook ten bate van kinderen wordt steeds meer van de AWBZ gebruikgemaakt. Dat heeft onder meer te maken met het diagnosticeren van aandoeningen die vroeger niet als probleem werden (h)erkend, bijvoorbeeld ADHD.

De kosten van de AWBZ, vorig jaar zo’n 22 miljard euro, stijgen jaarlijks met vier tot vijf procent, terwijl de werknemer jaarlijks al 12,15 procent van de eerste twee belastingschijven kwijt is aan deze volksverzekering. Deze collectieve voorziening begint tegen de grenzen van de maatschappelijke solidariteit aan te lopen.

De problemen met de AWBZ zijn historisch verklaarbaar. De wet was ooit bedoeld om kosten van chronische zorg te dekken, die niet door het ziekenfonds maar alleen door vrijwillige collectieven als de kruisverenigingen en charitatieve instellingen werden betaald – en die voor de burger onbetaalbaar waren.

In de loop der jaren is er steeds meer zorg bij de AWBZ ondergebracht, omdat de dekking door de AWBZ onderworpen was aan het primaat van de politieke besluitvorming. De AWBZ werd zo een parkeerplaats om te compenseren wat niet via zorgverzekering of anderszins kon worden gerealiseerd.

Met de introductie in 2006 van het nieuwe zorgverzekeringsstelsel dreigde de AWBZ helemaal een afvalbak te worden voor kosten die nergens meer gedekt worden. Ook de zorgverzekeraars hebben belang gekregen bij de AWBZ. Zolang de spreekwoordelijke rollator uit deze collectieve pot wordt betaald, kunnen de verzekeraars concurreren op de aantrekkelijkere pakketten met andere voorzieningen. De AWBZ functioneert aldus steeds meer als publiek stootkussen voor particuliere verzekeraars.

De regering kan dat alleen tegengaan door het aanbod van de AWBZ te beperken, zoals bijvoorbeeld is gebeurd door het aantal sessies psychotherapie terug te brengen.

Sommige AWBZ-voorzieningen zijn voor de gebruikers geheel gratis. Dat is prettig voor hen, maar ook meteen deel van het probleem. Het ontbreken van ‘remgeld’, zoals de Vlamingen zeggen, als eigen risico of eigen bijdrage betekent dat gebruikers voorzieningen kunnen aanvragen zonder zich af te vragen wat ze echt kosten. Dat kan leiden tot overconsumptie. Weliswaar worden de aanvragen door een ‘indicatieorgaan’ geschift, maar dan nog blijken de tekorten niet te voorkomen. De overheid die uit sociale overwegingen ervoor kiest eigen financiële bijdragen bij noodzakelijk geachte voorzieningen achterwege te laten, zal dus naar andere methoden moeten zoeken om de kosten in de hand te houden.

Het is daarbij ongewenst, zoals nu gebeurt, dat de bezuinigingen worden gezocht in de personeelskosten. De overheid kan beter zuinig zijn op schaars zorgpersoneel: het belangrijkste zijn ‘de handen aan het bed’. Een van de gevolgen is nu dat de dienstverlening veelal schuilgaat achter 0900-nummers en moeilijker bereikbaar is geworden, vooral voor hulpbehoevenden die niet in een instelling met zorg wonen. Directies van zorginstellingen hebben zorgtaken uitgesplitst in deeltaken. In de woningen van zorgvragers is het daardoor een komen en gaan van telkens wisselende personeelsleden die vaak van elkaar niet weten wat ze doen. De efficiencywinst van deze taakverdeling valt tegen, de inzet van al die mensen moet worden gecoördineerd en geadministreerd.

Het zou veel bureaucratie en veel kosten schelen als de rol van de AWBZ weer wordt ingeperkt tot ernstige gevallen. De individuele burger moet beseffen dat ook hijzelf zich op zijn vergrijzing en mogelijke hulpbehoevendheid dient voor te bereiden. Dat zal harde, maar onvermijdelijke politieke keuzes vergen.