Verliezers bij Triviant

De invoering van de Tweede Fase op de middelbare school was overhaast en ondoordacht, oordeelde de Commissie Dijsselbloem vorige maand. Zes oud-scholieren vertellen over rumoerige werkplekken op de gang en over de leraar Grieks die niet meer over mythologie mocht vertellen. „Je mag niet experimenteren met kinderen.”

Proefkonijnen van de Tweede Fase: v. l . n . r. Floortje Euser, Stefan de Bruijn, Anne Bliek, Jan Paternotte, Benjamin Derksen en Mirthe Berentsen Foto Roger Cremers Nederland, Amsterdam, 25-02-2008 Scholieren praten over hun middelbare school in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Ze zitten op de bovenste verdieping van de nieuwe bibliotheek Amsterdam, in het restaurant. Drie jonge vrouwen aan de ene kant van de tafel, drie jonge mannen aan de andere kant. Ze zijn rond de 25 jaar. Voor hen liggen A-viertjes met vragen.

Wie zei ‘L’état, c’est moi?’ In welke eeuw?

Wat is de Renaissance en wanneer was die?

Is ‘de beantwoordde vraag’ juist gespeld?

Wat betekent ‘de appel valt niet ver van de boom’. En ‘iemand het vuur na aan de schenen leggen’?

De zes schrijven geconcentreerd. Soms kreunen ze. Of ze leggen even het hoofd in de handen. Een enkeling spiekt. „Wanneer was die fokking Renaissance ook weer.”

De zes hebben allemaal hun havo of vwo-diploma. Ze zijn bijna of net afgestudeerd, sommigen werken al. Ze zijn willekeurig gekozen. De mannen kennen elkaar via via, van de JOVD en de lokale politiek in Amsterdam. Twee van de zes zijn vrienden van een redacteur van deze krant. Ze zaten op verschillende scholen.

Ze zijn gekozen omdat ze allen behoorden tot de eerste lichting scholieren die in 1998 en 1999 voor het eerst te maken kregen met ‘de Tweede Fase’. Vorige maand zei de parlementaire commissie Onderwijsvernieuwingen onder leiding van Kamerlid Jeroen Dijsselbloem (PvdA) dat de Tweede Fase door de politiek veel te overhaast en ondoordacht is ingevoerd. En dat er sinds jaren scholieren zijn, die niet meer goed kunnen spellen, schrijven en rekenen.

„Herkenbaar die conclusies”, zegt Jan Paternotte (1984). Hij is student internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam en duolid in de Amsterdamse gemeenteraad. „Ik had een enorm ‘zie je wel-gevoel’ toen ik dat hoorde.”

„Eigenlijk zouden we een schadevergoeding moeten eisen”, zegt Mirthe Berendsen (1984), half lachend. Ze is studente Nederlands en werkt bij kunsttijdschrift Mister Motley. „Ik dacht ‘hè, hè, het ligt dus niet aan mij’.”

„De volgende dag hoorde ik politici zeggen ‘we zaten fout met het onderwijs’. Dát vond ik vernieuwend”, zegt Benjamin Derksen (1983). Hij is zelfstandig ondernemer in de reclame en studeert Internationale Betrekkingen en Communicatiewetenschappen in Groningen.

„Ben benieuwd wat ze nu met het onderwijs gaan doen”, zegt Stefan de Bruijn (1983). Hij studeert politicologie in Amsterdam en heeft de school voor Journalistiek afgerond. Hij is ‘politiek assistent’ van wethouder Koldenhof in Amsterdam.

„Als het nu allemaal weer anders moet, zou dat een ramp zijn”, zegt Floortje Euser (1983). Ze studeert civiele techniek aan de Universiteit Twente. Anne Bliek (1983) knikt instemmend. Zij heeft een master burgerlijk recht, en is bezig met de studie ondernemingsrecht. Ze is juridisch medewerker op een advocatenkantoor.

Alle zes vinden het ‘jammer’ dat de Tweede Fase zo slecht is ingevoerd. Daar zijn zij nu slachtoffer van, zeggen ze. Ze hebben onvoldoende leren rekenen, schrijven en spellen. Vreemde talen hebben ze niet leren spreken. Vier van hen vinden dat ze te weinig les hebben gehad en dat ze het te veel zelf moesten uitzoeken op school.

Ze zijn de proefkonijnen van de Tweede Fase.

Benjamin: „Ik voelde me overvallen door de Tweede Fase.”

Mirthe: „Kort daarvoor hadden we ook al de nieuwe spelling moeten invoeren.”

Floortje Euser: „En de basisvorming.”

Jan Paternotte: „Wij waren ‘all over’ proefkonijnen.”

Benjamin: „Wij begonnen al een jaar eerder met de Tweede Fase. Ik wilde nog overstappen naar een andere school. Maar dat heb ik niet gedaan. Om vrienden enzo.”

Jan: „Bij ons op school vertelden ze dat de Tweede Fase betekende dat we minder klassikaal les kregen. En meer uren zelfstudie. Daar waren we blij mee. We spraken af dat we in de kantine zouden gaan zitten.”

Benjamin: „Bij ons zeiden de leraren: jullie moeten meer zelf gaan studeren. We weten dat jullie dat niet gaan doen. Maar het moet.”

Mirthe: „Het was enorm zoeken, die eerste maanden.”

Benjamin: „Nieuwe boeken, nieuwe lesstof. We voelden ons een supermarkt die open blijft tijdens de verbouwing.”

Mirthe: „Ook voor de leraren was het onduidelijk.”

Benjamin: „Je moest zelf bepalen, ga ik een uur in de les zitten of zelf studeren. Er werden werkplekken gemaakt. Op de gang waar het rumoerig was, of tegenover de pauzeruimte. Daar kon je je niet concentreren.”

In het rapport van de commissie Dijsselbloem staat dat er geen wetenschappelijke onderbouwing was voor het Studiehuis, om leerlingen zelfstandiger te laten werken.

Floortje: „Bij ons waren er leerlingen die tijdens keuze-uren nooit een docent zagen.”

Stefan: „Wij werden juist voortdurend gecontroleerd.”

Jan: „Onze school kreeg een ‘mediatheek’. Met computers. Maar het was ook de tijd van de opkomst van hotmail en msn. Dus daar gingen we mee aan de gang.”

Floortje: „We hadden een mediathecaris die de stilte moest bewaken en je kon helpen met de computer. Maar wij wisten er meer van af dan zij. En toen de Melkertbanen verdwenen, verdween zij ook.”

Jan: „Die van ons werd alleen boos als je porno keek.”

Benjamin: „We waren 15! Dus als we vrij waren gingen we naar het café.”

Mirthe: „Het idee om kinderen meer zelfstandigheid bij te brengen was supergoed. Maar we waren te jong. Bij ons gingen ze geloof ik uit van twintig uur per week zelfstudie. Dat is niet realistisch.”

Benjamin: „Kinderen van 14, 15, 16 jaar moet je gewoon onder een strak regime zetten.”

Stefan: „Ik vond zelfstandig werken juist een verademing na drie jaar klassikaal onderwijs. Ik heb er veel profijt van gehad. Mijn klasgenoten zeggen dat ook. ”

Anne: „Ik ben ook niet zo negatief, ik ben goed voorbereid op de universiteit.”

Floortje: „Ik heb laatst De Gelukkige Klas gelezen, van Theo Thijssen. Dat ouderwetse onderwijs werkt tegenwoordig ook niet meer, hoor.”

Anne: „Als er meer begeleiding was geweest, had de Tweede Fase kunnen werken.”

Mirthe: „Ik ben bang dat er mensen zijn gesneuveld die het wel hadden gekund.”

Uit het rapport-Dijsselbloem: ‘In het definitieve invoeringsjaar, 1999, nemen de klachten over overladenheid, werkdruk, en organisatorische problemen verder toe. Het aanvankelijke enthousiasme op scholen neemt snel af.’

Op 6 december 1999 trokken duizenden leerlingen naar Den Haag om te protesteren tegen de Tweede Fase.

Jan: „Wie is er wezen staken?”

Alle vingers gaan de lucht in.

Jan: „Heb jij tomaten gegooid?”

Anne: „Wij gingen een dagje shoppen in Den Haag.”

Benjamin: „Mijn ouders kregen zeven vakken op school, wij ineens 14. Dat is twee maal zoveel. Dus gingen we protesteren.”

Jan: „We kregen allemaal nieuwe vakken. KCV. Klassieke culturele vorming.”

Floortje: „CKV. Culturele klassieke vorming.”

Stefan: „ANW. Algemene natuurwetenschappen.”

Jan: „MNO. Management en organisatie. Maar je had ook het oude economie II en het nieuwe MNO.”

Floortje: „En je had CKV 1, 2 en 3.”

Jan: „En geschiedenis 1 en 2.”

Floortje: „En wiskunde A1 en A2. Ik hoorde van mijn zusje dat er nu wiskunde A, B, C en D is.”

Jan: „Docenten moesten een enorme administratie opzetten. Want we moesten allerlei opdrachten maken. Handelingsopdrachten, HO’s. Schoolopdrachten, SO’s. Daar kreeg je een voldoende of onvoldoende voor. Dus daar stak je weinig moeite in. Je kon er toch geen hoger cijfer voor halen.”

Mirthe: „We moesten bijvoorbeeld naar de rechtbank. Ik heb paardrijles gegeven aan gehandicapte kinderen en ik ben vuilnisvrouw geweest. Ik heb daar heel veel van geleerd. Maar al die opdrachten en al die vakken gingen wel ten koste van grammatica en rekenen.”

Floortje: „Bij ons had je HO’s in de trant van ‘bezoek een theatervoorstelling’. Of: ‘lees zoveel uur in het Duits’.”

Jan: „En dan had je een soort scriptie, Profiel Werk Stukken, PWS.”

Benjamin: „Daar kreeg je bij ons een plus voor, of een plus plus.”

Jan: „Bij ons kreeg iedereen een negen.”

Uit het rapport-Dijsselbloem: ‘Scholieren met een havo/vwo opleiding nieuwe stijl blijken positiever over de aansluiting [op de universiteit] dan hun voorgangers met een opleiding oude stijl. (...) Op het gebied van vakinhoudelijke kennis zijn ze echter minder positief dan scholieren oude stijl.’

Floortje: „Ik kom basiskennis tekort. Vooral wiskunde.”

Jan: „Het grootste pijnpunt zijn de talen. Frans, Engels, Duits.”

Benjamin: „Je kan kinderen beter twee weken naar het buitenland sturen. Dan leren ze meer dan in de Tweede Fase.”

Floortje: „Ik moest onduidelijke dingen doen bij Engels. Een dromendagboek bijhouden. Wij wilden gewoon grammatica. En mijn zusje krijgt dat nu weer op school, maar in onze lichting mocht dat niet.”

Mirthe: „Bij Duits moesten we tv programma’s kijken, in plaats van de naamvallen door te nemen.”

Jan: „Kun je de Duitse tv daardoor nu beter begrijpen?”

Mirthe: „Ja, dat wel. Maar als ik nu in Duitsland kom, ga ik meteen Engels praten.”

Jan: „Bij ons mocht woordjes leren niet. Maar we moesten wel de krant en tv kunnen begrijpen.”

Anne: „Bij ons vonden ze woordjes en grammatica juist wel belangrijk.”

Jan: „Onze school zei ‘woordjes en grammatica heb je al in de eerste drie klassen gehad’.”

Benjamin: „Nederlanders staan anders wel bekend als mensen die hun talen goed spreken.”

Floortje: „Kijk over tien jaar nog maar eens hoe ze ons dan zien. Als alle mensen Tweede Fase hebben gehad.”

Mirthe: „Ik heb voor Engels zes boeken gelezen. Voor Frans en Duits ieder vier.”

Floortje: „Ik voor Engels maar drie.”

Jan: „Ik voor Duits en Frans één. En voor Engels zes. Voor Nederlands twaalf. Je mocht er maximaal drie van Tim Krabbé lezen.”

Anne: „‘Het gouden ei’, ‘De renner’.”

Jan: „’De renner’ is een boek van 100 pagina’s over een wielerwedstrijd. Superspannend.”

Benjamin: „Het had een groot lettertype. ”

Jan: „Op internet kon je samenvattingen vinden.”

Benjamin: „Wij zijn met Google opgegroeid. Je las de achterkant van het boek, en de laatste en de eerste 20 pagina’s. Dan de samenvatting en je kon er zo een verhaal bij vertellen. Dan had je een 7,5.”

Jan, lachend: „Ze verwachtten van ons dat we zelfstandig onderzoek deden naar een boek, ook op internet.”

Uit het rapport-Dijsselbloem: (...) ‘zo stellen de adviseurs: „Van de docenten vraagt deze wijze van werken verandering van didactiek, namelijk de verantwoordelijkheid voor het leerproces grotendeels leggen bij de leerling. De docent wordt studiebegeleider”.’

Floortje: „Docenten vonden het absoluut niet werken. En wij ook niet.”

Benjamin: „Die wilden gewoon voor de klas staan, en vertellen over hun vak.”

Mirthe: „Over literatuur.”

Floortje: „Bij Grieks mocht de leraar geen verhalen meer vertellen over de mythologie. Daar was geen tijd voor.”

Benjamin: „Bij de talen mochten ze alleen nog teksten uitdelen en dan antwoorden nakijken: a, b, d, d, c, a. Daar zaten ze dan met hun universitaire studie. Dat vonden ze vreselijk. Ze zeiden dat hen iets van bovenaf was opgelegd.”

Jan: „Er waren ook docenten, die er gewoon niet aan meededen. Die bleven tegendraads hun eigen onderwijs geven.”

Floortje: „Dat mocht ook gewoon! Het Studiehuis is nooit verplicht geweest. Iedereen dacht dat het verplicht was. Maar dat was helemaal niet zo.”

Stefan: „Was het Studiehuis niet verplicht?!”

Floortje: „Nee! Ik weet dat ook pas sinds het rapport-Dijsselbloem, hoor.”

Mirthe: „Ik vind dat ik lui ben geworden, van de Tweede Fase.”

Jan: „Ik moest voor de Tweede Fase veel harder werken. Ik vond de examens makkelijk. Daar hoefde je niet voor te leren. Dat zeiden de docenten ook: ‘je krijgt toch een tekstverklaring’.”

Benjamin: „De helft van de cijfers voor het eindexamen was al bepaald. Alle opdrachten die je maakte in klas vier, vijf en zes, telden mee voor het eindcijfer. Ik stond voor de meeste vakken een zeven. Dus dan kon je een vier halen. Het was bijna onmogelijk om een onvoldoende te halen.”

Uit het rapport-Dijsselbloem: ‘De hoofddoelstelling van de onderwijsvernieuwingen, een verhoging van het algemene onderwijspeil, is niet gehaald. Er is een zorgwekkend dalende trend zichtbaar op de basisvaardigheden.’

Benjamin: „De Tweede Fase trekt de universiteit omlaag.”

Floortje: „Bij ons is er voor wiskunde een instaptoets ingevoerd om te kijken welke mensen moeten worden bijgespijkerd. Bleek dat 99 procent de toets niet haalde. Nu wordt iedereen standaard bijgespijkerd.”

Mirthe: „Ik vind dat schrikbarend slecht. Bij ons haalt ruim de helft van de eerstejaars de toets voor grammatica niet in één keer. Ik denk niet dat het niveau altijd zo laag geweest is, op de universiteit.”

Floortje: „Toetsen van tien jaar geleden kunnen we niet meer maken.”

Mirthe: „Dat zie ik ook.”

Floortje: „Ik vind ook dat ik onvoldoende Engels heb gekregen. Dat is nu lastig, want je moet al je papers in het Engels schrijven. Mijn master was zelfs helemaal in het Engels. Dat is verplicht voor universiteiten, om studenten te kunnen uitwisselen met buitenlandse universiteiten.”

Jan: „Mijn zus is tien jaar ouder dan ik. Zij was veel beter voorbereid op de universiteit. Ze weet in ieder geval veel meer dan ik. Ze is ook sneller afgestudeerd.”

Benjamin: „Ik ben niet goed voorbereid op de universiteit. Ik haalde in mijn eerste jaar veel te weinig punten. Maar wat ik me nog wel afvraag: kan je nog wel voldoende worden voorbereid op de samenleving? Die verandert zó snel. Over vijf jaar zal tachtig procent van de banen bestaan uit banen die nu nog niet bestaan.”

Jan: „Taal verandert niet zo snel. Daar kan je scholieren toch op voorbereiden?”

Floortje: „Wiskunde, Engels, Nederlands. Dat heb je altijd nodig.”

Anne: „En geschiedenis.”

Mirthe: „Aardrijkskunde ook wel.”

Floortje: „Er moet meer verdieping in het onderwijs komen.”

Anne: „Het is nu te breed.”

Mirthe: „De basis moet erin geramd zitten. Dan ga je daarna maar Duitse tv kijken.”

Anne zegt: „Als ik met mijn moeder Triviant speel, verlies ik standaard.”

Mirthe: „Mijn ouders hebben een veel bredere algemene ontwikkeling. De vrede van Münster? Dat weten ze. Ik moet het opzoeken.”

Jan: „Weet je de slag bij Nieuwpoort?”

Mirthe: „Weet ik niet.”

Jan: „1600.”

Anne: „Ouders weten ook meer omdat ze ouder zijn. Het is ook een generatie-effect.”

Jan: „Maar weten jouw ouders ook hoeveel Oscars Titanic won? Dat waren er elf. Dat weten wij dus weer.”

Floortje: „Wij kunnen beter internetpresentaties maken.”

Jan: „Ja?”

Benjamin: „Wij kunnen efficiënt werken. En snel dingen vinden.”

Jan: „Kun je dat beter dan je ouders?”

Benjamin: „Ja, mijn vader pakt de Winkler Prins. Ik google het.”

Anne: „Ik weet meer van kunst.”

Mirthe: „Ik kan dingen maken. Maquettes bijvoorbeeld.”

Jan: „Dat kan ik ook niet.”

Benjamin: „Wij kunnen een verhaal vertellen.”

Jan: „Voor ons moet er gewoon een post-Tweede Fase Triviant komen. Dan winnen wij.”

De tafel begint te lachen.

Benjamin: „Met vragen als ‘wie schreef Het gouden ei’.”

Jan: „En waar moet je op letten als je Duitse televisieprogramma’s kijkt. Of vragen over ruimtevaart, daar weten we ook veel van. Of het sterrenstelsel. Maar ik ben bang dat het daar ophoudt. Wat is de kleinste planeet van ons zonnestelsel?”

Floortje: „Mercurius.”

Jan: „Echt?”

Uit het rapport-Dijsselbloem: ‘De staatssecretaris wordt vanuit diverse kanten gewaarschuwd voor de mogelijk negatieve gevolgen van het Studiehuis (...). Toch worden geen corrigerende maatregelen getroffen. Het point of return was bereikt en de trein denderde voort.’

Zijn ze boos op de politiek?

„Nee”, zeggen ze allemaal.

Jan: „Ik ben teleurgesteld.”

Benjamin: „Ik vind het schokkend te horen dat er geen enkele wetenschappelijke onderbouwing was voor de invoering van het Studiehuis. Je mag niet experimenteren met kinderen. Die zijn de toekomst. Wij lopen nu achter.”

Stefan: „Wat gaan ze nú weer doen, met het onderwijs, dat is de vraag.”

Jan: „Ik hoorde een dag na het rapport-Dijsselbloem dat het CDA alweer....”

Mirthe: „...meer voorlichting wilde gaan geven op scholen over abortus! Hoorde ik ook! Dan heb je weinig geleerd als politiek. Laat scholen zich gewoon concentreren op basiskennis als wiskunde, Engels en Nederlands. En verder niks.”

Floortje: „Ik hoorde laatst dat op de basisschool ook al minder rijtjes gestampt worden.”

Benjamin: „Er komen nu docenten in het onderwijs die zelf zijn opgeleid met de Tweede Fase. Ik ben benieuwd hoe dat uitpakt.”

Iedereen aan tafel kent de stelling van Pythagoras. En ’t kofschip. En ze weten ook wat ‘de koude oorlog’ is. Maar wanneer de Renaissance was, en wat het is, dat weet niet iedereen. Floortje schrijft alle zinnetjes correct. Maar de rest maakt spelfouten.

Ze schrijven ‘de beantwoordde vraag is juist’ of ‘ik besef me dat ik van hem houdt’. De appel valt niet ver van de boom betekent volgens enkelen ‘dat de oplossing dichtbij is’. Alleen Jan weet wat suffragettes zijn. Maar hij is weer benieuwd hoe je een staartdeling maakt. „Dat kan ik niet.”

Mirthe noemt het woordje ‘na’ in ‘iemand het vuur na aan de schenen leggen’ „oud-Nederlands”.

Benjamin: „Dat daar het woordje ‘na’ tussen hoort, dat weet mijn vader misschien ook niet. Dat is iets voor taalpuristen.”

Jan: „Tegenwoordig zegt iedereen ‘ik besef me’. Dat is voortschrijdende taalontwikkeling.”

Anne: „Ik vind dat taalverloedering.”

Stefan: „Ik denk dat wij luier zijn geworden door de spellingchecker. Dat is niet per definitie slecht. Ik vind niet dat iedereen van alle woorden en uitdrukkingen precies de spelling hoeft te kennen. Het is belangrijker dat je weet wat iets betekent. Maar van iemand die journalistiek heeft gestudeerd zoals ik, mag je verwachten dat hij foutloos schrijft.”

Benjamin: „Wat is het nut, dat je paraat hebt wat suffragettes zijn. Of wanneer de Renaissance was? Geef me tien seconden op mijn mobieltje en ik google het voor je.”

Stefan: „Natuurlijk er is weinig dat je níet kan googlen. Maar je moet weten welke bronnen betrouwbaar zijn.”

Benjamin: „Wikipedia is accurater dan de Brittannica, heb ik ergens gelezen.”

Stefan: „Ik vind dat wij moeten weten wanneer de Renaissance was. Dat mag je verwachten van de best geschoolde categorie mensen van het land.”

Jan is vanavond te gast bij het programma Lotto Weekend Miljonairs. Een soort Triviant op televisie, waar kandidaten veel geld kunnen winnen. „Ik verklap niet hoeveel ik gewonnen heb”, zegt hij. „Maar als ik niet de Tweede Fase had gedaan, had ik meer geld verdiend.”

Hij lacht hartelijk.

Wilt u reageren? Mail naar zbrieven@nrc.nl of schrijf Zaterdag &cetera, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam