Verboden kokosnoten

Slechts een handvol zeezeilers en backpackers kent de schoonheid van de ongerepte San Blas archipel: wit zand, palmbomen en koraalriffen. Toeristen zijn welkom, zolang de tradities van de Kuna-indianen maar niet worden verstoord.

3. Kuna-indianen Foto Robert Slagt Slagt, Robert

Het is een korte vlucht, maar in meerdere opzichten een overgang naar een andere wereld. Om zes uur ’s ochtends stijgt de Twin Otter met zo’n vijftien passagiers aan boord op vanaf een klein vliegveld in Panama City. Al snel maken de wolkenkrabbers langs de Stille Oceaan plaats voor de dichtbeboste bergen van de ‘Isthmus van Panama’: van kust naar kust reizen is slechts 50 kilometer. Een half uur later verschijnt de Caribische Zee: In het blauw liggen tientallen eilandjes met wit zand, kokospalmen en koraalriffen. Op de grotere eilanden voor de kust staan de hutten dicht opeen, verder in zee ogen de atollen verlaten.

Het vliegtuigje landt op een hobbelige strook asfalt, direct langs de branding. De indianen die van boord gaan, stappen direct in kano’s en varen naar Nárgana en Corazón de Jezus, de twee eilanden die iets verderop liggen. Het groepje uitgestapte toeristen staart in stilte naar het schitterende landschap: de mangrovebossen langs de kust, met de groene bergen erachter, en in zee de verspreide eilanden met wuivende palmen. De hoofdstad is hier ver weg.

De San Blas archipel, die 350 eilanden telt, ligt vlak voor de noordoostkust van Panama. Over land is deze kuststrook zo goed als onbereikbaar. Er loopt sinds 2007 een modderweg door het mangrovebos naar de Panamerican Highway, maar eigenlijk kan je hier alleen door de lucht of over zee gemakkelijk komen. Veel Kuna, de indiaanse bewoners van de eilanden, hebben nog nooit een auto gezien. Elektriciteit en televisies zijn er ook nauwelijks. De indianen leven niet veel anders dan in 1502, toen Columbus dit gebied verkende. De Kuna halen hun inkomsten uit visvangst, kokosnoten - lange tijd het enige wettige betaalmiddel – en het handjevol toeristen dat hier komt zeilen.

De 40.000 Kuna zijn eigen baas in hun woongebied. In 1925 kwamen ze in opstand tegen de Panamese overheid, die hun tradities probeerde de kop in te drukken. Tientallen agenten werden gedood. Sindsdien vormen de eilanden en de kuststrook van 375 km de autonome provincie Kuna Yala, de indiaanse naam voor de San Blas. In het bestuur, het Congreso General Kuna, zetelen de chiefs van 36 eilandgemeenschappen en 13 kustdorpen. De Kuna spreken Spaans, maar verder wijst alleen het Balboa bier erop dat je in Panama bent.

Chris, een vriendelijke zestiger met paardenstaart uit New York, neemt een slok van zijn rum. Hij is de gastheer van BBQ Island, een atol op de Cayos Holandés, het meest noordelijke deel van de San Blas. In de 17e eeuw lagen hier Hollandse piraten te wachten op de Spaanse schepen die beladen met goud uit Peru vertrokken vanuit Portobello, 50 km westwaarts. „Dit is mijn thuis: de mooiste eilandengroep van het Caribische gebied, eigenlijk van de hele wereld. Zeilers die op weg zijn naar het Panamakanaal blijven hier vaak maanden of zelfs jaren hangen op de San Blas. Ik ben hier zelf al tien jaar. Elke drie maanden, als mijn Panamese toeristenvisum verloopt, zeil ik naar Colombia voor een stempel en kom daarna weer terug.”

Varende vreemdelingen die naar BBQ Island komen, worden getrokken door drank, spijzen en een beetje westers gezelschap. Elke maandag organiseert Chris op het eiland een borrel voor zeezeilers die in de buurt varen. Het is een wat onwerkelijk decor: twintig diepbruine zeilpensionado’s staan rond een tafel met hapjes en drankjes sterke zeilverhalen uit te wisselen, alsof het een barbecue in een doorsnee buitenwijk betreft. Vier kokospalmen verder bereidt een indiaans gezin een vismaaltijd bij hun hut.

Onder de zeilers zijn Dick en Anita, een kras Limburgs echtpaar van rond de zestig dat ‘volgens een strak schema’ om de wereld vaart. Zij zijn enthousiast over de San Blas. „Op de Bovenwindse eilanden is het veel drukker. In de jachthavens is nauwelijks plek voor je boot en je moet er oppassen voor berovingen. Hier is veel minder armoede. En je kunt overal voor een paar dollar aanmeren. Echt heerlijk.”

Het is zó stil op de San Blas dat je al lichtelijk verbaasd bent wanneer je bij een atol een ander zeiljacht treft. Zelfs op de weinige eilanden waar wél voorzieningen voor toeristen zijn, is het rustig. Zoals op Kuanidup: voor 75 dollar heb je hier een cabaña, drie maaltijden en uitstapjes naar het koraalrif om te snorkelen. Er zijn drie gasten, waaronder een Franse touroperator die het gebied verkent. Hij is onder de indruk: „Ik ben op veel plaatsen geweest, maar ik wist niet dat er nog zoiets moois bestond.”

Meestal staan er op een eiland een of twee hutten, waarin tijdelijk een Kuna-familie woont. Ze rapen kokosnoten - verboden vruchten voor de toerist – vissen en trekken na enkele weken verder naar een volgend eiland. Soms komen de mannen met hun kano langszij om vers gevangen inktvis of red snapper te verkopen. Op sommige eilanden kun je bij de Kuna voor een paar dollar gegrilde vis eten. Vaak verkopen ze daar ook mola’s: kleurrijke handwerken die vrouwen maken.

In de Kuna-gemeenschap hebben vrouwen een bijzondere status. Als een man trouwt, trekt hij in bij de familie van zijn echtgenote en werkt hij enige jaren voor zijn schoonvader. Wanneer meisjes voor het eerst menstrueren, worden zij geëerd met een groot feest: zij zorgen immers voor nageslacht. Op het grotere eiland Carti wonen wij zo’n puberteitsfeest bij. In een grote hut zitten mannen en vrouwen apart, maar iedereen is dronken. Ook de oudere vrouwen, die graag dansen met de buitenlandse gasten.

Op het dichtbebouwde Carti is een Kuna Museum. Hier meren zo nu en dan Amerikaanse cruiseschepen aan die mola’s of andere souvenirs komen kopen. Ook is er een guesthouse voor backpackers, die wachten op een zeilboot die hen naar Cartagena vaart.

De wintermaanden zijn de beste periode om te zeilen, omdat er dan een constante noordoostelijke wind waait. Een ander voordeel van de archipel is dat er geen orkanen voorkomen. Wel moet je voortdurend op je hoede zijn voor de riffen: overal zie je wrakken van schepen die vast zijn gelopen: roestige vrachtschepen, maar ook boten van Colombiaanse drugssmokkelaars.

De scheepswrakken zijn tekenen van de moderne tijd op de eilandengroep. Maar de oudere Kuna-chiefs willen perse de traditionele levensstijl behouden en proberen uitbreiding van de toeristische sector te voorkomen. Er zijn dorpen waar radio’s en generatoren niet zijn toegestaan en toeristen na zonsondergang niet welkom zijn.

Er worden nog steeds relatief weinig hotels gebouwd en westerse charteraars met zeilschepen moeten 20 procent belasting afdragen als ze toeristen op de San Blas willen rondvaren. De indianen zijn behoorlijk streng in de leer: ze willen geen inmenging van buitenaf, ook in letterlijke zin. Een Kuna die trouwt met een buitenstaander, wordt verstoten.

Toch zijn er steeds meer Kuna, vooral de jongere generatie, die een moderner leven willen: elektriciteit, tv’s en mobiele telefoons. En dat betekent: meer toeristen aantrekken. Nu vragen de jongeren nog om toestemming aan de chief en andere families op een eiland voor ze een guesthouse of een hotel beginnen. De vraag is hoe lang ze hun geduld zullen bewaren - en hoe lang het traditionele leven van deze indianen zal blijven bestaan.

    • Robert Slagt