Tussen keuken en televisie

Niet god, maar de pub is de kern van het Australische mijndorp. Het lichtblauwe huis van Nana staat er nog.

Eva May Foto uit archief

We rijden door een eucalyptusbos dat zich zo nu en dan opent om plaats te maken voor een dorp: Abermain, Neath, Kearsley, Kichener. Destijds groeiden deze kernen rond mijnschachten met dezelfde namen, maar de mijnen zijn decennia geleden gesloten. Pastelkleurige woningen staan keurig in het gelid, langs uitgestorven straten. Als we stoppen voor een lichtblauw huisje met een veranda, bovenop een heuvel, weet ik precies waar we zijn. Hier woonde de grootmoeder van W., Eva May, wij noemden haar Nana. Ze was geboren in 1903. Inmiddels leeft ze niet meer, het huis is al verschillende keren doorverkocht. Wij hebben geen zin om aan te bellen en blijven in de auto zitten.

Vijfentwintig jaar geleden, toen ik kennis kwam maken met mijn schoonfamilie, logeerden we bij haar. Het was winter en die kan in Australië bitter koud zijn omdat Australiërs – net zo min als Britten – aan verwarming doen, maar tot mijn grote geluk kookte Nana nog op een kolenfornuis. In haar keuken was het altijd behaaglijk warm. Zonder veel te zeggen maakte ze heerlijke, ouderwetse, gerechten. Ze stond bekend om haar soepen en haar met gehakt gevulde aardappelkoekjes. Als er niet gegeten werd, zaten we in de piepkleine woonkamer en keken we tv. Ondertussen voerden W. en zijn grootmoeder gesprekken die meestal uit niet veel meer dan een vraag en een tweeregelig antwoord bestonden. „Hoe is het met de Hodges?”, vroeg W. Uit verhalen wist ik dat hiermee de familie van twee huizen verder bedoeld werd, die hadden zestien kinderen. De jongsten waren speelkameraadjes geweest van W. Hij moest er altijd voor zorgen dat ze zijn fietsje niet te pakken kregen, want tegen de tijd dat alle Hodges er op gereden hadden, was er niets meer van over. W. vierde zijn verjaardag altijd bij Nana en dan werden alle Hodges uitgenodigd, Nana stond daarop. Het was onvoorstelbaar hoeveel taart, boterhammen en frisdrank die verstouwen konden. Vader Hodges, een mijnwerker, dronk. Veel van zijn kinderen volgden in zijn voetsporen en waren vroegtijdig overleden. „Ook Chrissy is een no-hoper geworden”, antwoordde Nana. Die term gebruikte ze niet lichtvaardig, Chrissy Hodge zou ten onder gaan. „Pas is hij aangereden, hij liep dronken over de snelweg”, sloot ze de kwestie af.

Nana zag de drank als haar grootste vijand en daar had ze alle redenen voor. Ik had gehoord dat haar man Bob elke zaterdagochtend naar de pub ging en aan het eind van de middag zwaar in de olie thuiskwam. Elke keer weer was Nana woest. Ze had de parkiet geleerd om samen met haar Bob, the drunken bastard te schreeuwen.

Toen ik Nana leerde kennen was haar leven in rustiger vaarwater gekomen. Ze was alleen overgebleven en haar bestaan speelde zich af tussen haar keuken en haar tv. Eens per week nam ze de bus naar de Co-op om haar inkopen te doen. „Hoe was uw leven als jong meisje?”, vroeg ik ooit. „Ik deed het huishouden van mijn oudere broers en zussen als er in hun gezin een kind geboren was,” zei ze. „Ik was zo klein dat ik op een kist moest gaan staan om de was op te kunnen hangen.” Dat was een lang verhaal voor haar doen. Heel soms sneed ze zelf een onderwerp aan. „Ik hoop wel dat je nog steeds Labor stemt”, zei ze op een avond tegen W. „Want wie dat niet doet, komt er bij mij niet meer in.” Dat waren de enige strenge woorden die ik haar ooit heb horen spreken, maar op dit punt stond ze op haar strepen. Nana was overtuigd socialist. Haar vader, haar grootvader, haar man, haar zoon en haar schoonzoon waren mijnwerkers geweest. Ze geloofde in vakbonden, niet in een god. De Australische mijnwerkers uit de Huntervallei hadden de godsdienst in hun land van oorsprong achtergelaten, in Ierland, Schotland en Engeland. Australië was waarschijnlijk zo groot, zo droog en onbarmhartig dat niemand zich voor kon stellen dat een opperwezen hen hier tot hulp zou kunnen zijn.

In deze vallei staan kerken verdekt opgesteld, het kloppende hart van elke gemeenschap is de pub, een kasteelachtig gebouw, dat ook dienst doet als hotel, met meerdere verdiepingen, en balkons die afgezet zijn met sierlijk smeedwerk. Nana was gevangen geraakt in een vicieuze cirkel; door de macht van de vakbonden was de invloed van de kerk te verwaarlozen en daarom kon de pub een dominante rol spelen.

Naast me in de auto verzucht W.: „Ik had haar een keer mee moeten nemen naar Sydney. Het is toch verschrikkelijk dat ze daar nooit is geweest.” „Ach”, zeg ik, „misschien was ze het liefste thuis.” In haar woonkamer, voor haar tv met een kopje thee en haar haakwerk was ze tevreden. Wij maakten een lange reis door Australië. Na maanden keerden we terug in de Huntervallei. „Ik heb groot nieuws”, zei Nana. Ze troonde ons mee naar de keuken. Daar was alles gesloopt en vervangen door moderne geplastificeerde aanrechtkastjes. „Geen kolenrommel meer”, zei ze blij. De oven had een klok, ze kookte nu elektrisch.

Sindsdien was het ’s winters ook in haar huisje ijskoud.

    • Carolijn Visser