Niet het geloof maakt moslima’s anders, maar de delicate balans tussen vader en dochter

Vrouwendag prima, maar moslimadag? Liever niet. Laten we daarom leren anders te kijken naar de positie van moslimvrouwen. Voorkom dat ze het gevoel krijgen te moeten kiezen tussen onderdrukt worden of het ouderlijk huis verlaten. Geef de ruimte aan migranten die het goede van hun land van herkomst willen verenigen met de zeden en gewoonten van hun nieuwe leefomgeving.

Illustratie Iris Kiewiet Kiewiet, Iris

Naema Tahir

Jurist en auteur van ‘Eenzaam heden’ en ‘Kostbaar bezit’.

Het is de islam. Daardoor zijn moslimmigranten anders. Als een moslim radicaliseert, heeft dat, vanuit deze breed gedeelde optiek, te maken met de islam. Dus worden, zelfs door radeloze beleidsmakers, binnen de kortste keren imams opgetrommeld om ontspoorde jongeren weer in het gareel te krijgen. Draagt een moslima een hoofddoek, dan wordt naar de islam gewezen en bezwijkt de goegemeente voor haar liefelijk kraalogige verzoek om haar religieuze vrijheid niet in te perken. Wordt een moslimvrouw uitgehuwelijkt, dan komen er verzen uit de Koran aan te pas ter goed- of ter afkeuring. En als een moslim zich losmaakt van zijn of haar gezin zien we dat als een bevrijding van de islam. Sterker nog, we spreken van de onderdrukkende werking van diezelfde islam als een moslim zich omwille van emancipatie juist niet losmaakt.

Ik sprak laatst over de emancipatie van de westerse moslima en de rol die mannen daarin spelen met een Algerijnse consultant die in Nederland op werkbezoek was. Het alleen reizen voor moslima’s is volgens de islamitische doctrine een afkeurenswaardige zaak, zei zij mij. Haar vader raadde het haar telkenmale af. Een onnodige ambitie vond hij het, één die niet nagejaagd behoorde te worden door ongetrouwde vrouwen. Ze had hem wel van repliek kunnen dienen met een kritische mix van vrouwvriendelijke interpretaties van de islam, maar ze koos ervoor om dat niet te doen. Zijn zorg had volgens haar weinig met het geloof van doen. Bang was hij, ofschoon onuitgesproken, dat het alleen op reis gaan haar maagdelijkheid en eerbaarheid zou aantasten. De schade zou onherstelbaar zijn; het zou haar positie op de huwelijksmarkt aantasten en haar naam, en die van haar vader uiteraard, beschadigen. Om hem gerust te stellen ‘gunde ze hem zijn zorg’. Uit eerbied, respect en ontzag voor hem. Hij had louter de behoefte haar vader en gezinshoofd te zijn, en de behoefte dat zij, als plichtgetrouwe dochter, hem erkende als haar beschermheer.

De woorden van de Algerijnse zullen Hollandse moslima’s welbekend in de oren klinken. Ze vormen zelfs de kern van het verhaal van velen die willen emanciperen maar zich, al dan niet ‘vrijwillig’, belemmerd voelen tegen de wensen van hun ouders danwel geloofsgemeenschap in te gaan.

Het meest gaat dit op daar waar het de eigen keuzevrijheid betreft inzake seksualiteit en relatievorming. Moslima’s dienen als maagd te trouwen. Verder mag volgens sommige moslims een moslima niet huwen met een niet-moslim. Gevolg geven aan deze geboden kan haar vooruitgang vertragen of tegenhouden – in het voorbeeld van de Algerijnse – ze kan voor de keuze geplaatst worden geen dienstreizen te maken, of een baan te ambiëren zonder die internationale component.

Nederland kent onnoemelijk veel van zulke moslima’s; vrouwen die zich willen ontplooien zonder aan de eer van hun vaders en broers te tornen. Ze proberen om een delicate balans te handhaven tussen het oude van hun tradities, met het hechte gezin en de vastomlijnde rollen, soms ook veel taboes, en het nieuwe van hun eigen toekomst, met haar ontelbare mogelijkheden en vrijheden. Hoeveel moslima’s stellen zich in deze niet bescheiden op, zijn gehoorzaam, gesluierd en doen kuis? Even eervol en plichtsmatig huwt ze als maagd, netjes met een moslimse wederhelft, of ziet ze zich door de familie in een dergelijk huwelijk gemanoeuvreerd, al dan niet onder dwang. Daarmee raken we aan de plicht van de moslimvader haar te beschermen tegen de ongehuwde staat, de fase van haar leven die haar kwetsbaar en hulpeloos maakt.

Naast deze vele traditionele moslima’s die Nederland kent, is er een langzaam toenemend aantal onafhankelijke, westers (aandoende), individualistische vrouwen, die geloven in hun autonomie, die zich niet willen neerleggen bij een van tevoren vastgesteld leven maar durven dromen van zelfbeschikking. Gaandeweg achten zij de bescherming door hun ouderlijk gezin niet echt nodig. Een recht van hun families een huwelijk voor hen te arrangeren erkennen ze al helemáál niet. Als deze vrouwen met hun open houding inzake relatievorming de mogelijkheid openhouden te trouwen naar eigen keuze, met een moslim of niet, dan zijn er twee opties: zich zelf losmaken van het traditionele gezin of verstoten worden door de vaders.

Een moslimman heeft het goddelijke recht om zich van zijn vrouw of dochter te ontdoen, maar ik durf te betogen dat de islam, het geloof, in dit soort familiale conflicten niet de belangrijkste factor van invloed is, en als het van invloed is dan vaak als repressiemiddel of als legitimatie voor de macht van de vader. Erachter gaat iets diepers schuil. Het gaat om conflicten tussen een vader en zijn dochter, tussen een machtige en een zwakke, tussen een protector en protegee, tussen de mannelijke deugd van bescherming en de vrouwelijke deugd van bescheidenheid.

Laten we eens, al is het puur voor de gein (en als romancier veroorloof ik mezelf zulke fantasieën weleens), de sluier van islam wegtoveren en moslims hier te lande beschouwen als ‘gewone’ stervelingen. Wat zien we dan? We zien mannen en vrouwen die migranten werden, dorpelingen die hun heil zochten in steden, landgenoten die plots wereldburgers moesten zijn. Allemaal maakten ze de overgang – sommigen met zevenmijlslaarzen – van een traditionele gemeenschap naar een (post-)moderne, individualistische cultuur waar zowel mannen als vrouwen naar hartelust van hun vrijheden kunnen genieten.

Migratie heeft miljoenen moslims naar het Westen gebracht. Van de mannen vervulden de meesten in hun vaderland een duidelijke rol, als patriarch, als kostwinner, als verantwoordelijke zoon, als beschermheer van moeders, echtgenotes, dochters en zusters. Hier moeten ze overleven in een andere sociale samenhang, met andere relaties tussen mannen en vrouwen.

De hoge levensstandaard en de daarbij horende kosten maken het de man nagenoeg onmogelijk om zijn gezin van de geboorte tot de dood, in ziekte en tegenspoed, economisch bij te staan. En dat hoeft ook niet. In een land als Nederland nemen de staat en de maatschappij een groot deel van die zorg voor hun rekening. Om dat soort gemakken en voorzieningen zijn migranten er juist van overtuigd geraakt hiernaar toe te komen.

Verder, in deze maatschappij, waar de publieke ruimte niet exclusief aan de mannen maar ook aan vrouwen en kinderen toebehoort, krijgt iedereen nieuwe kansen en kunnen we allemaal meer macht verwerven en op meer bescherming rekenen. De vader is ook wat dit betreft zijn dominante positie kwijt. Die nieuwe leefomgeving brengt in migrantengezinnen onvermijdelijk spanningen met zich mee.

Neem alleen al het concept ‘eer’. Voorheen ontleende de man zijn eer aan zijn status van pater familias. Nu wordt zijn eer uitgehold en uitgedaagd. Uitgehold, omdat hij niet langer als enige de zorg en bescherming van zijn gezin kan claimen. Dit wringt temeer nu hij zelfs ten opzichte van zijn eigen, beter geïntegreerde, kinderen achterop raakt. De eer van de man wordt daarnaast uitgedaagd omdat hij zijn eergevoel niet meer mag uiten. Wordt het man-zijn en het vrouw-zijn in het land van herkomst meestal als totaliteit gevierd, in de westerse samenleving zijn het al licht verwisselbare ideeën, allerminst met een monolitisch, onaantastbaar karakter.

Een vader die zijn vrouw en kinderen uit eergevoel wil beschermen, wordt in de ogen van zijn omgeving niet zelden gezien als een wraakzuchtig of gefrustreerd individu, iemand die de ontplooiing van de vrouw tegenhoudt, een dominante chauvinist. Vrouwen die niet kiezen voor het zogenaamd geëmancipeerde westerse rolmodel noemen we onderdrukt, onderdanig en al te dienstbaar ten opzichte van de man, en we doen er alles om haar te bevrijden uit die ‘achterstelling.’

In gezinnen die met dit conflict niet goed overweg kunnen, waar de kinderen en misschien ook de moeder ‘te westers’ worden, vooral als ze zich aangetrokken voelen tot veel vrijere seksuele mores die volgens de traditionele moraal alleen maar tot verloedering leiden, dreigt – gevoed door heimwee – minder participatie van het gezin in datzelfde Westen en meer quasi-participatie in het imaginaire van het thuisland.

Waar in Nederland zo’n man, louter omdat hij ‘maar migrant’ is, niet dezelfde trots kan voelen op zijn ontvangst noch trots kan opbrengen voor zijn ontvangstland, kan hij die trots wel beleven in zijn ‘thuisland’. Ook kan hij zijn gezin in dat imaginaire thuisland naar behoren beschermen. En hoe zou hij dat beter kunnen doen dan door zijn kinderen daadwerkelijk terug te schenken aan het thuisland? Kinderen worden dan opgevoed alsof ze nooit echt zijn vertrokken en nooit echt zijn aangekomen en erop voorbereid om bij voorkeur te huwen met iemand uit het vaderland. De cijfers hieromtrent spreken boekdelen. Gevolg is de dominantie van de vader en de rebellie van de kinderen. Voornamelijk van de kant van de dochters, die meer beschermd moeten worden omdat in hun handen – of laat ik beter lichamen zeggen – de eer van de familie rust, en die om die reden minder dan jongens deelnemen aan activiteiten buitenshuis.

De verharding in deze generationele tegenstelling leidt tot overcompensatie in het gedrag van zowel ouder als kind. Het effent de weg voor een onderdrukkende, tirannieke vader en een dochter die geen andere weg ziet dan uit het gezin te breken. Met alle gevolgen van dien, niet in de laatste plaats de eenzijdige erkenning door de buitenwacht, die alleen deze losgebroken moslima’s exemplarisch acht voor integratie. Zij zouden het licht hebben gezien en de zeldzame moed hebben betoond om te ontsnappen aan een ‘achterlijke’ en religieus ‘onderdrukkende’ tribale gemeenschap. Zij alleen zouden ideale rolmodellen zijn voor de vele moslima’s die moeten voortleven onder het ‘islamitisch patriarchale juk’ en die nog verder achterop dreigden te geraken in hun eigen emancipatie, zo die al bestaat voor moslima’s. Het idee alleen al dat je een ‘onderdrukte’ vrouw uit de nood helpt, appelleert natuurlijk aan onze paternalistische inslag. We hoeven er niet eens de delicate balans tussen vader en dochter voor te begrijpen.

De opvolging der generaties is een universeel gegeven en per definitie een spanningsvolle ervaring voor betrokkenen. Een cultuurschok en de ingrijpende ervaring van migratie verhogen deze spanning slechts.

\Te beweren dat die spanning voornamelijk door de religie wordt gevoed is een te simpele voorstelling van zaken. Het gebeurt wel, onnadenkend, en door veel mensen. Je kunt er hooguit een beetje politiek mee bedrijven en een benepen zelfbeeld van culturele superioriteit mee voeden. Dan blijven slechts twee open: onderdrukt zijn als moslima of losbreken van het moslima-zijn.

En dat terwijl ruimte moet worden gegund aan de vele migranten. Aan hen die de tussenruimte opeisen en, zichzelf blijvend onder veranderende omstandigheden, het goede willen verenigen van de tradities uit overerving en uit hun nieuwe leefomgeving. Dat kunnen vaders prima zelf. En hun dochters niet minder. Uiteindelijk zijn zij ervoor verantwoordelijk hun gemeenschap een gevarieerd profiel te geven en dat zichtbaar te maken. Anders kan het zomaar zijn dat Internationale Vrouwendag er een onnodige zuster bij krijgt – en laten we wel wezen, wie zitten er nu te wachten op Internationale Moslimadag?

Dit is de licht bewerkte versie van de rede die Naema Tahir gisteren uitsprak bij de Raad van Europa in Straatsburg ter gelegenheid van Internationale Vrouwendag. Een Engelse en Franse versie staat op www.coe.int