Mijn oog zal op u zijn

Brigadegeneraal Henk Morsink behoorde tot de eerste Nederlandse militairen in Uruzgan. Zijn zoon, luitenant Dirk Morsink, vertrok afgelopen week. Een tweegesprek over hun geloof, de Talibaan, en de film van Geert Wilders.

Luitenant Dirk Morsink (links, naast zijn vader, brigadegeneraal Henk Morsink): „Mijn oma voelt zich hofleverancier van het Nederlandse leger” Foto Evelyne Jacq Europa, Nederland, Ermelo, 22-02-2008 Generaal Spoorkazerne - Landmacht Infanterie. Generaal Henk Morsink en zijn zoon luitenant Dirk Morsink. Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

In de nacht van maandag op dinsdag, rond twee uur, bracht brigadegeneraal Henk Morsink zijn oudste zoon naar een verzamelpunt in Garderen. Andere familie en vrienden hadden het weekend ervoor al afscheid genomen. Later die dag vertrok Dirk Morsink vanaf vliegveld Eindhoven voor viereneenhalve maand naar Uruzgan. Als plaatsvervangend commandant van de Bravo-compagnie (167 man) zal hij daar vechten tegen de Talibaan.

Voor Henk Morsink is Uruzgan bekend gebied. Hij leidde in 2006 de Deployment Task Force die de NAVO-missie voorbereidde. Enduring Freedom was toen nog gaande, de Amerikaanse oorlog tegen de Talibaan. Morsink had opdracht drie kampen te bouwen en te bevoorraden. Tijdens zijn missie vielen nog geen dodelijke slachtoffers aan Nederlandse zijde.

Sindsdien zijn er veertien doden gevallen. De laatste twee militairen kwamen begin januari om door ‘eigen vuur’. Anderen sneuvelden bij gevechten, ongelukken, bermbommen of zelfmoordaanslagen. De Talibaan dreigden vorige week de aanslagen tegen de Nederlandse militairen op te voeren wegens Fitna, de nog te verschijnen film van Geert Wilders.

„Ik heb de mannen vanmorgen gevraagd hoe zij dat zien”, zegt Henk Morsink dinsdagmiddag. „Ze verwachten dat de Talibaan de film zullen gebruiken voor propaganda. ‘Kijk die Nederlanders zijn niet te vertrouwen, die hebben geen respect voor jullie.’ Dat maakt het extra lastig werken. Het is al zo moeilijk met de bevolking in contact te komen.”

Hij denkt niet dat de militairen meer gevaar lopen. „Ze zijn goed voorbereid en getraind. Het maakt weinig uit of een zelfmoordenaar zich opblaast vanwege de film van Wilders, of omdat hij gehersenspoeld is door de Talibaan.” De vraag hoe hij denkt over Geert Wilders beantwoordt hij alsof het een vraag is over het plan van Geert Wilders. „Dat vind ik een dilemma. De vrijheid in Nederland is echt een groot goed. Ik heb veel schroom om te zeggen: maak maar niet, zend maar niet uit.”

Maar u vindt dat eigenlijk toch?

„Ik weet het niet. De vrijheid houdt ergens op. Maar als je dit verbiedt, moet je dat dan gaan doen bij iedere gek die iets roept?”

Anderhalve week eerder, in een werkkamer op de generaal Spoorkazerne in Ermelo waar zijn bataljon gelegerd is, draagt Dirk Morsink (25) het lichte desert-uniform dat hij in Uruzgan ook zal dragen. Het groene lapje met ‘ISAF’, zoals de NAVO-missie in Afghanistan heet, zit nog los in zijn tas. In de loop van het gesprek, rond een lage tafel met een thermoskan koffie, zal hij daar ook een bijbel uit halen. Vader en zoon zijn van huis uit gereformeerd.

Henk Morsink (51) proeft in Ermelo met enige weemoed de spanning van vertrek, zegt hij. In de kamers liggen overal tassen. Militairen schudden elkaar stevig de hand, ze zullen elkaar terugzien op de dag van vertrek. Morsink sr. werkt nu op de Defensiestaf van de commandant der strijdkrachten in Den Haag. Een bureaubaan. Zijn twee andere zoons zijn ook militair. De middelste gaat in augustus naar Uruzgan, de jongste is derdejaars op de Koninklijke Militaire Academie (KMA).

De generaal heeft niets van een ijzervreter. Hij is slank en jeugdig, met een zachte stem, licht Twents accent en een rustige uitstraling. Zijn zoon praat wat luider en is robuuster.

Voor beiden was ‘Uruzgan’ niet de eerste buitenlandse missie. Henk Morsink maakte in 1993 zijn eerste echte oorlog mee in Bosnië, na een halve loopbaan te hebben getraind voor het verdedigen van de Noordduitse laagvlakte tegen de Russen – de hoofdtaak van de Nederlandse krijgsmacht in de koude oorlog. Dirk Morsink diende in 2004 viereneenhalve maand in Irak. Hij was 22, „de jongste luitenant in de NAVO”. Als pelotonscommandant gaf hij leiding aan vijftig Nederlandse militairen. Ook begeleidde hij zo’n tachtig jonge Irakezen van de nieuw op te zetten militaire politie.

Ze zullen geduldig luisteren naar elkaars verhalen. De vader die achterblijft richt zich soms tot de zoon die vertrekt.

Hoe vindt u het dat uw zoon naar Uruzgan gaat?

Henk: „Ik vind het prima. Ik weet dat hij het graag wil en dat hij het kan. Een uitzending is een deel van je beroep, een deel van je leven. Ik heb ook vertrouwen in de organisatie van het bataljon, in de spullen die meegaan, in de serieuze manier waarop we als Nederlands leger kijken naar zo’n opdracht.”

In januari vielen twee doden als gevolg van ‘friendly fire’. Heeft dat uw vertrouwen niet ondermijnd?

„Áls daar fouten zijn gemaakt, vermindert dat hoogstens het vertrouwen in de eenheid die die fouten heeft gemaakt. Ik weet uit ervaring hoe pikkedonker het moet zijn geweest. Dat je niet eens je hand kunt zien als je hem uitstrekt. In zo’n situatie, waarbij je weet dat er Talibaan is, kan ik me de chaos voorstellen.”

Hoe gevaarlijk waren jullie eerdere uitzendingen?

Henk: „In Bosnië was ik ‘monitor’ van de Europese Unie. Ik was ongewapend en moest een spierwit tenue dragen - ik had een uniform van de marine geleend. Je moest heel herkenbaar zijn.” Met een lachje: „Zodat ze goed op je konden schieten.

„Het is pittig geweest. Mijn taak was via onderhandelingen de strijdende partijen tot rede te brengen. Toch werd je door beide partijen als doelwit beschouwd. Ik ben beschoten, gegijzeld, heb veel doden en gewonden gezien, massagraven geruimd. Alle ellende die oorlog is kwam in drie maanden voorbij. Ik heb het mede verwerkt door te getuigen bij het Joegoslaviëtribunaal, waar de schuldigen berecht zijn.”

Dirk: „In Irak reden we in open jeeps en Patria’s, een vrij fors pantservoertuig. Die zijn een aantal keren met mortieren beschoten. In het centrum van de stad As Samawah hadden we een soort 112 meldkamer gemaakt, bemand door de Irakese politie, brandweer en ambulancedienst. Ik zat er met een deel van het peloton om het te beveiligen. Het was in een aanbouw van de governor’s office en ernaast was een grote politiepost. Op een goede dag is geprobeerd met twee autobommen óf de governor óf de politiechef te pakken. Dat heeft wel de meeste indruk gemaakt. Dat was een vuurdoop. Miraculeus genoeg zijn op de chauffeurs van die twee auto’s na geen doden gevallen.”

Hoe communiceren jullie tijdens een missie met ‘thuis’, met elkaar?

Dirk: „In Irak kon ik in het begin alleen schrijven, en bellen met een enorme vertraging. Op de helft kregen we internet. Mijn vriendin belde ik iedere week. Mijn ouders eens in de twee, drie weken.”

Henk: „Nee, bellen deed je niet veel.” Lachend: „Wij moeten er nog aan wennen dat hij nu zijn vriendin als eerste belt.”

Dirk: „Het moment dat ik naar huis belde, was vaak vlak voor we iets groots gingen doen. Dat mocht ik niet vertellen. Dan praat je over koetjes en kalfjes terwijl je weet dat je heel spannende dingen te wachten staan. ”

Vertelde u dat dan achteraf in detail?

Dirk: „Nee, nee. Zeker niet aan mijn moeder en mijn vriendin. Bij mijn vader en broers heb ik aan een half woord genoeg. Over dingen die écht indruk maken…”

Henk: „Dan klinkt het toch in de toon door. Toen ik in Bosnië voor de eerste keer beschoten werd en daarna naar huis belde, werd er nog geschoten op de achtergrond. Mijn vrouw was van streek. Later ben ik dat anders gaan doen.”

Dirk: „Over dingen die echt indruk maken heb ik wel geprobeerd alles te vertellen toen ik terug was in Nederland. Ook voor mijn vriendin, om het idee te geven dat alles gezegd was.”

Henk, tegen zijn zoon: „Foto’s helpen ook hè. Die aanslag op de politiepost ging voor mij pas leven toen je die foto’s liet zien. Hoe jij daar zelf zat op het dak. Zo’n verhaal wil je wel zes keer horen. Dat heb je nodig. Jij ook, als uitlaatklep.”

In Uruzgan zal Dirk Morsinks compagnie pelotons op pad sturen om opdrachten uit te voeren. Als twee of meer pelotons nodig zijn, gaan de commandant of zijn plaatsvervanger, Morsink, mee om de actie te coördineren.

Wat voor opdrachten kunnen dat zijn?

Dirk: „Force protection voor het reconstructieteam, als we projecten gaan draaien. Begeleiding van de Afghan National Army. En gevechtsacties, waar de baas vindt dat het nodig is. Dat is onze core business. Als ze weten dat ergens een wapenopslag is, of dat iemand bezig is geïmproviseerde bommen te maken, dan is het een mooie opdracht voor ons om dat op te lossen.”

Henk Morsink bouwde de kampen waar Dirk zal verblijven. Toen hij begin 2006 in Uruzgan aankwam, was er nog niets.

„De eerste tenten moest ik bij elkaar scharrelen, lenen van de Amerikanen. Dan komt het eerste vliegtuig binnen, het eerste schip, en kun je aan het werk. Je laat de eerste konvooien rijden, de eerste machines brengen, je sluit een contract met een lokale aannemer om te beginnen met de bouw.

„Tussendoor moest er ook toen al flink gevochten worden. De commando’s die ik vooruitgestuurd had voor inlichtingen, hadden 27 confrontaties met gewapende strijders. Sommige duurden tien dagen. Voor mij was het de eerste keer dat ik mensen echt het gevecht in stuurde, in de wetenschap dat ze konden omkomen. Ook besluiten over de konvooien hadden die lading. Er is maar één weg, maar ik kon wel kiezen of ik ze bij nacht of bij dag liet rijden, in een lint of in groepjes.

„We hebben veel geluk gehad dat er geen doden zijn gevallen. Een Patria daar sta je tot zover in – wijst op borsthoogte – met zandzakken om je heen, en achter je staat zo’n luik omhoog. Een van de Patria’s had drie inslagen rondom het hoofd. In een andere waren inslagen in een zandzak.”

Later zijn er wel militairen omgekomen, tot nu toe veertien. Had u dat voorzien?

„Daar hebben we vanaf het begin rekening mee gehouden. We wisten uit rapporten van de inlichtingendienst dat we aangevallen zouden worden. Er ontstaat een soort euforie als dan het eerste konvooi erdoor komt. En het tweede, derde, vierde… Pas bij het veertiende konvooi kwam de eerste aanval. Toch moet je iedere keer scherp zijn. Dat geldt nu nog steeds. Ook op patrouilles”, zegt hij tegen zijn zoon. „Die moet je heel goed voorbereiden.”

Hoe kijken jullie aan tegen de mogelijkheid te sneuvelen?

Dirk: „Die vraag gaat wel meer spelen. Ik woon net samen, mijn vriendin gaat natuurlijk ook lopen nadenken. We hebben samen het nabestaandenboek ingevuld [een set formulieren die alle uit te zenden militairen kunnen invullen]. Stel dat het gebeurt, of je wordt invalide, dan moet je een aantal praktische dingen doen. Hypotheek. Pensioen. Daar wil je niet over nadenken als je 25 bent. Maar we hebben er zó op gehamerd bij de mannen. Dan moet je het zelf ook doen, vind ik.”

Henk: „Het blijft lastig er vooraf over na te denken. In Bosnië hield ik er helemáál geen rekening mee, terwijl het directe gevaar voor mijn leven daar groter is geweest dan in Afghanistan. In Uruzgan heb ik een paar raketbeschietingen meegemaakt. Een paar keer was er een inslag binnen honderd meter. Dan pas, achteraf, denk je: die had mij ook kunnen treffen.”

De soldaten die sneuvelen, sterven die voor een goede zaak?

Henk: „Ze sterven in de samenwerking voor een goede zaak. Je kunt niet zeggen dat hun dood dat doel dichterbij gebracht heeft. Maar het is zeker niet voor niets. Dan zouden ze zinloos gestorven zijn.”

Voor het vaderland dan?

Henk: „Dat zou meer spelen als je je eigen land verdedigt. Waar we nu aan bijdragen, is verbetering voor het volk van Afghanistan en de wereldvrede. Maar ik denk dat geen enkele militair vertrekt met het idee daarvoor te willen sterven. Niemand wil sterven. Als het al ergens voor is, is het voor je collega’s. Als je ziet hoe Wesley Schol gehandeld heeft... [die op 12 januari omkwam toen hij een collega te hulp schoot] Als hij al iets heeft gedacht was het ‘Ik ben bereid te sterven voor een collega’. Die band heb ik bij mijn militairen ook gezien.”

Polariserende moslims spreken over de Nederlandse militairen in Afghanistan als kruisvaarders. Jullie zijn christelijk. Hoe is het om te strijden tegen een religieuze vijand?

Henk: „Dat zie ik helemaal niet zo. Ze mogen geloven wat ze willen. Ze worden pas vijanden als ze hun eigen volk verkeerd behandelen.”

Dirk: „De Talibaan valt ISAF niet aan omdat ISAF een christelijke organisatie is. Wij zien de Talibaan niet als vijand omdat ze moslim zijn. Niet eens een beetje. Wij hebben veel moslims in de eigen krijgsmacht.”

Henk: „De Talibaan overtreden hun eigen regels. Ze vermommen zich als vrouwen om wapens te smokkelen. Ze plegen zelfmoordaanslagen terwijl zelfmoord niet mag. Ook lokale tradities treden ze met de voeten, zoals de gastvrijheid van het Pashtunvolk.”

Dirk: „Of ze maken aanspraak op een gastvrij onthaal om ergens onderdak te krijgen.”

Religie is een privézaak?

Henk: „Het is iets heel persoonlijks. In het leger is het ook niet zo wijdverbreid. Er gaan wel geestelijk verzorgers mee. In mijn tijd was dat een Poolse aalmoezenier, die Nederlands sprak met met een zwaar accent. Hij heeft drie jongens geïnspireerd om zich te laten dopen. Ik vond het bijzonder dat zij zich juist toen, in die groep, zo veilig voelden dat ze belijdenis wilden doen van het geloof.”

Dirk: „In Irak hadden we een humanist. Die heeft een Paasdienst gehouden.” Tegen zijn vader: „We zaten daar tussen de Eufraat en de Tigris [rivieren die voorkomen in Genesis, het eerste bijbelboek]. Een van de mariniers nam ons direct mee naar Ur.”

Henk licht toe: „Ur der Chaldeeën, uit de bijbel.”

Dirk: „De oudste stad van de wereld, toch?”

Henk: „In Afghanistan waan je je ook in het bijbelse land. Hutjes met ronde daken. Mensen die naar een put gaan om water te halen.”

U nam kaartjes met bijbelteksten mee naar Afghanistan. Die geeft u ook mee aan uw zoon.

Henk: „Dat is zo’n setje dat je bij een bijbelhuis kunt kopen. Met bergen op de achtergrond enzo.”

Dirk: „Ter grootte van visitekaartjes.”

Henk: „Het zijn er geloof ik dertig. Ik lees regelmatig in de bijbel en soms kijk ik op die kaartjes. Meestal ’s avonds, zodat ik met die gedachte ga slapen. Eén heeft me in het bijzonder getroffen.”

Dirk pakt de bijbel uit zijn tas en bladert. Psalm 32 vers 8. „Ik zal u onderwijzen en u leren van de weg die gij gaan zult; Ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn.”

Henk: „Daar staat in dat God je de weg wijst. Op de avond voor het eerste konvooi moest vertrekken, kwamen twee mensen uit mijn staf aan mijn bed. Ze dachten toch dat er niet gereden moest worden. Ik heb alles afgewogen. Ik dacht: sterker dan dit worden we nooit. Ik heb die overtuiging gecheckt bij een paar anderen en bij mijn buddy [meest vertrouwde collega die iedere militair heeft]. Toen ik dit kaartje las, kreeg ik het gevoel welk advies ik moest volgen. Ik besloot het konvooi te laten rijden.”

Leest u ook in de bijbel?

Dirk: „Nu niet zo veel. Ik zou het wel meer willen doen, maar word nog een beetje geleefd door de waan van de dag.”

Henk: „Als je daar een beetje privacy hebt in je slaapcontainer, zou ik de bijbel lezen voor het slapengaan.”

Dirk Morsink heeft niet altijd de ambitie gehad om het leger in te gaan, zegt hij. Aan het einde van de middelbare school dacht hij aan een baan als organisator van buitensportevenementen. Maar op een voorlichtingsavond van de militaire academie „werd toch een snaar geraakt”. Hij vond het beroep van zijn vader altijd al mooi. „Het klinkt goed op school: mijn vader werkt bij de landmacht. We gingen ook vaak mee kijken op oefeningen, met name de schietseries.”

Henk: „En veel militaire kleren in de verkleeddoos.”

Was úw vader ook militair?

Henk: „Hij is dat enige tijd geweest, maar een beetje tegen wil en dank. Hij meldde zich in 1938 als vrijwilliger voor Indië met het doel na afloop daar een baan te krijgen. Doordat de politionele acties ertussendoor kwamen [Nederlands oorlog tegen Indië], kon hij pas na tien jaar het leger uit. Hij praatte daar niet veel over. Het heeft mijn keuze niet beïnvloed. Toen een paar vrienden van de middelbare school zich lieten keuren voor de KMA, dacht ik: dat klinkt goed, dat doe ik ook. Ik werd goedgekeurd. Zo rol je erin.”

Gaat de jongste Morsink ook naar Uruzgan?

Henk: „Maarten is in het voorjaar van 2010 klaar met de KMA. De missie loopt tot augustus. Het is niet waarschijnlijk dat hij nog gaat. Dat vindt hij jammer. Hij heeft zelfs overwogen zijn opleiding te verkorten, maar daar hebben we hem vanaf kunnen brengen. Dan zou hij op de lange duur niet ver komen.”

„Mijn oma voelt zich wel hofleverancier van het Nederlandse leger”, zegt Dirk. „Mijn opa volgt het ook heel goed.”

Henk: „Mijn vader is bijna 89. Hij weet er veel van. Hij leest de Defensiekrant en heeft met Google Earth het kamp gevonden.”

„Hij heeft zó’n beeldscherm”, zegt Dirk, met zijn handen ver uit elkaar. „Met zúlke iconen.”

Wat doe je in de laatste week voor vertrek?

Dirk: „Wapens en uitrusting gereed maken om te verschepen. Daarna ga ik mijn rust pakken. Een paar dagen weg met mijn vriendin. Nog wat quality time. We proberen alle soldaten de laatste anderhalve week vrij te geven.”

Welke adviezen geeft u Dirk mee?

Henk: „In een toespraakje bij een diner gaf ik hem laatst het advies respect te hebben voor de bevolking en respect te hebben voor zijn mensen.”

Waarom juist dat?

„Ik heb gemerkt hoe belangrijk dat is voor een volk met zo’n andere cultuur als wij. Toen ik werd ontvangen bij de gouverneur in Tarin Kowt, was dat met de Amerikaanse commandant. De Amerikanen kregen alle aandacht – logisch want ze waren er al veel langer. Ik stond aan de kant. Op een gegeven moment werd ik naar voren gewenkt. Als je beleefd en bescheiden bent, word je er vanzelf bij betrokken.”

U ligt er niet wakker van dat Dirk naar Uruzgan gaat?

„Nee. Ik heb wel de spanning die andere ouders ook hebben. Zeker omdat ik als militair wat beter weet hoe het er is.”

Zal het voor hem gevaarlijker zijn dan het voor u was?

„Dirk gaat heel ander werk doen. Ik zat als commandant verder van de mensen af, ook al probeerde ik te ervaren wat zij meemaakten. Ik ben twee keer meegereden met een konvooi, ik heb mee gebouwd aan de kampen. Maar het is wezenlijk anders als je commandant bent. Ik heb niet boven een Patria uitgestoken, alleen voorin een gepantserde vrachtwagen gezeten.”

U denkt nooit: had hij maar een ander vak gekozen?

„Nooit. Ik zie hoeveel plezier hij heeft in zijn werk. Arbeidsvreugde is een groot goed.”

    • Joke Mat