Met 1,5 miljoen subsidie per jaar mocht een topambtenaar hoogleraar worden

Leerstoelen moeten steeds vaker met geld erbij worden geleverd, ontdekt Maarten Huygen.

Op het eerste gezicht viel er weinig op aan het persbericht van 29 januari van de Universiteit Leiden. Meteen twee dagen later al kwam er een nieuwe hoogleraar voor de Faculteit Sociale Wetenschappen met de moeilijk klinkende opdracht evidence based wetenschapsbeleid. Zijn leerstoel werd de tweede voor het internationaal vermaarde Centrum voor Kwantitatieve wetenschapsstudies. Dat centrum turft wetenschapsprestaties aan de hand van publicaties en citaten daarvan in bekende wetenschappelijke tijdschriften.

De nieuwe hoogleraar heet Dr. Cornelis van Bochove en zijn achtergrond is opmerkelijk. Voor zijn benoeming is hij directeur Onderzoek en Wetenschapsbeleid geweest bij het ministerie van Onderwijs. Er blijkt mede aan zijn leerstoel een extra subsidie te zijn verbonden van het ministerie; 1,5 miljoen euro per jaar voor minstens vijf jaar.

„Heeft hij zichzelf dan benoemd?”, vroeg ik aan de woordvoerder van de Universiteit Leiden. Nee, dat is niet het geval. De onderhandelingen over de leerstoel waren niet met hem, maar met zijn directe baas, de directeur-generaal van hoger onderwijs en wetenschap, dr. L.J. Roborgh.

Er was zelfs een versnelde sollicitatieprocedure en zijn naam werd voorgedragen aan belendende faculteiten die ‘overwegend positief’ advies zouden hebben uitgebracht. Slechts twee faculteiten hadden klachten.

Maar ik heb wel van veel kanten bezwaren gehoord. Zoals gebruikelijk in de universiteit blijft het protest gesmoord, want iedereen heeft elkaar nodig voor onderzoeksgeld, aanstellingen, samenwerking en voor gunstige beoordelingen. Wetenschappers zijn met reden bang om de overheid tegen het hoofd te stoten. Zonder te turven of een wiskundig model te maken, durf ik nu al vast te stellen dat de evidence erop wijst dat een openhartiger klimaat gunstig is voor de wetenschap. Bij deze een bijdrage.

Hoogleraren moeten steeds vaker zelf geld meebrengen. Vaak staat fondsenwerving zelfs in de functieomschrijving. Bedrijven en instellingen kopen zich massaal in door bijzondere leerstoelen. De Gasunie financiert praktisch een vleugel van de Rijksuniversiteit Groningen voor ‘onafhankelijk’ onderzoek naar onder andere energie.

Maar volgens het ministerie is er in het geval van Van Bochove geen verband tussen de subsidie en de benoeming. Ook als Van Bochove niet was benoemd, zou het Centrum al dat geld hebben gekregen, zegt een woordvoerder van het ministerie. Die stelling is achteraf moeilijk te verifiëren.

Van Bochove, die ik erover sprak, zegt dat de Faculteit Sociale Wetenschappen zelf het initiatief heeft genomen. De decaan van de faculteit, Toonen, vroeg ‘aan het ministerie’ of er een vaste bijdrage kon komen voor het hoofdzakelijk van opdrachten afhankelijke centrum. Tegelijkertijd nodigde hij Van Bochove zelf uit om hoogleraar te worden. Twee vliegen in één klap. Inderdaad zijn er verschillen tussen de persoon Van Bochove en het ministerie, maar de een zit wel in het ander.

De Universiteit Leiden heeft eerder – zonder tegenprestatie – een topambtenaar die in de aanbieding was, geadopteerd als hoogleraar. Dat was de voormalige voorzitter van het college van procureurs-generaal, mr. L.J. de Wijkerslooth de Weerdesteijn. Hoewel die niet was gepromoveerd en geen publicerend specialist was in het strafrecht, mocht hij meteen hoogleraar straf- en strafprocesrecht worden. Elders werden strafrechtmedewerkers ontslagen omdat ze te weinig hadden gepubliceerd of niet waren gepromoveerd.

Van Bochove heeft tenminste wél een wetenschappelijke achtergrond maar de vraag is of hij de beste kandidaat is. Als econometrist promoveerde hij in 1982 cum laude op Imports and Economic Growth en later ging hij bij het CBS werken onder andere als directeur sociaal economische statistieken. Maar in zijn huidige vak heeft hij alleen beleidsnota’s geproduceerd en die tellen zeker niet mee bij de citatie-index van zijn nieuwe instituut.

De nieuwe hoogleraar wil geen directe beleidsaanbevelingen doen aan zijn vroegere werkgever, maar door middel van modellen en getallen gaat hij onderzoeken of er een verband bestaat tussen bijvoorbeeld de grootte van een universiteit en haar prestaties. En of de eerste dan wel de tweede of derde geldstroom het beste resultaat oplevert.

Maar hoe meet je resultaat? Daarover lopen de meningen uiteen. Het is wel handig om in de desbetreffende wetenschappen thuis te zijn. De waarde van indexen van citaten is beperkt. Dat zegt zelfs prof. dr. A.J.F. van Raan, een van de topturvers in de wereld, en de grote man van het instituut voor Kwantitatieve Wetenschapsstudies. Maar naarmate bestuurders minder van de wetenschap weten, willen ze meer meten. De wetenschap is daarop ingericht. „Alles moet in cijfers. Theorie is tegenwoordig een beetje verdacht”, zegt wetenschapshistoricus C.L. Kwa van de Universiteit van Amsterdam.

Hoewel het niet de bedoeling is, worden de resultaten vaak snel ingezet voor beleid. Wetenschappers worden afgericht op productie en op internationale citaten. Wie ontdekt hoe de markt van de zorg in Nederland functioneert, krijgt geen punten. Dat is misschien wel zo prettig voor de overheid. Wie onbekende Nederlandse geschiedenis beschrijft scoort niet, maar wie feiten die in Nederland gewoon op de plank liggen in een internationaal tijdschrift publiceert, krijgt waardering. Een moleculair bioloog verhoogt de status van een universiteit meer dan een wiskundige omdat moleculair biologen vaker worden geciteerd. Er zijn allerlei trucs om het systeem te beïnvloeden. Wetenschappers vragen elkaar om geciteerd te worden. Redacteuren ronselen citaten om de status van hun tijdschrift te verhogen.

Een besloten sollicitatie is niet ongewoon, maar ik stel me voor dat de evidence in het voordeel van een open procedure moet wijzen. Waarom geen buitenlander benoemen die kritisch staat tegenover het departementale meten en turven? Volgens wetenschapssocioloog dr. R.P. Hagendijk van de Universiteit van Amsterdam, voor wie dit geval nieuw was, heeft het ministerie de rollen van rechter en officier van justitie gecombineerd. Eén conclusie is in ieder geval duidelijk: in de Nederlandse wetenschap is een goed netwerk belangrijker dan een citatie-index.

    • Maarten Huygen