Mensverbetering

Mensverbetering, dat riekt naar eugenetica. Het roept oude spookbeelden op: eliminatie van inferieure rassen, discriminatie van gehandicapten, gedwongen sterilisatie van zwakbegaafden, trek de laden maar open. Het is daarom verfrissend dat de Engelse bio-ethicus John Harris een heel boek heeft geschreven, waarin hij de mensverbetering niet alleen verdedigt, maar zelfs als morele plicht afschildert (Enhancing evolution. The ethical case for making better people; Princeton University Press, 2007).

Mensverbetering begint simpel, bij de verbetering van bestaande mensen: nieuwe heupen, betere scholing, optimale voeding, daar is niemand tegen. Ook de hielprik is geaccepteerd. Wie wil er een kind na de geboorte zien versuffen als dat met een pilletje schildklierhormoon is te voorkomen? De kennis van stofwisselingsziekten neemt rap toe en vaak is aan die ziekten met aangepast dieet of pillen iets te doen, mits je er vroeg bij bent. De hielprik maakt dat mogelijk.

Mensverbetering door vaccinatie ligt al gevoeliger. Daarbij gaat het niet meer om reparatie van een defect, want een kind wordt ingeënt om afweer op te bouwen tegen een ziekte, die het misschien nooit zal krijgen. Nog een stap verder gaat de mensverbetering door embryoselectie. Er zijn aangeboren stoornissen waartegen geen kruid is gewassen, en die tot een vroege en gruwelijke dood leiden. Het kind komt nog normaal ter wereld, maar verandert in luttele jaren in een afstervende plant. Prenatale diagnostiek en abortus maken het mogelijk om de herhaling van een dergelijke catastrofe te voorkomen. Ook veel christenen vinden abortus voor deze indicatie acceptabel.

Als God ons de kennis heeft gegeven om ernstig lijden te voorkomen, is het een morele plicht om die kennis ook toe te passen. Wie dat hoogmoedig afwijst, zal branden in de hel, waar christenen immers ook in geloven.

Prenatale diagnostiek is geaccepteerd in Nederland, maar waar trek je de grens? Dat hangt af van de gebruikte techniek. Een abortus is een grote ingreep, maar er is een nieuwere techniek voor prenatale diagnostiek, die het mogelijk maakt om embryo’s te selecteren voor ze in de baarmoeder terecht komen. Bij deze pre-implantatie diagnostiek (PGD) vindt bevruchting van een aantal eicellen in de reageerbuis plaats. Na een paar celdelingen wordt één cel uit het embryo verwijderd – dat kan zonder schade – en onderzocht. Het embryo dat de gevreesde aangeboren afwijking mist, wordt in de baarmoeder geplaatst en wordt de nieuwe baby. Deze techniek leent zich in principe voor mensverbetering die verder gaat dan selectie op afwezigheid van ernstige afwijkingen. Het is nog niet zo ver, want onze huidige technieken voor embryoselectie zijn nog niet feilloos en de kans op een succesvolle zwangerschap na PGD is nog vrij klein. Er zijn dus medische redenen om terughoudend te zijn. Technieken, zoals embryoselectie, worden echter geleidelijk geperfectioneerd. Al doende leert men.

Ook de kennis van DNA, onze aanleg, neemt rap toe. Mensen verschillen meer in hun DNA dan lang is gedacht. Het tijdschrift Science vond die verschillen zelfs de belangrijkste wetenschappelijke ontdekking van het jaar 2007. Nu DNA-analyse steeds sneller en goedkoper wordt, zijn genetici steeds beter in staat om verschillen in DNA te koppelen aan verschillen in aanleg, niet alleen aanleg voor ziekte, maar op (zeer lange) termijn ook aanleg voor een hoog IQ, een mooi karakter of voor muzikaliteit.

Daarmee komt in theorie een meer ingrijpende mensverbetering door embryoselectie in zicht. Mag dat? Uiteraard niet als de staat voorschrijft wat wel en wat niet. Mensen hebben het morele recht om willens en wetens kinderen met een defect op de wereld te zetten. Ze hebben ook het recht om niets te willen weten van aanleg en te accepteren wat de natuur in petto heeft. De vraag is echter of verstandige ouders de kans moeten krijgen om de aanleg van hun kind te beïnvloeden, als dat technisch mogelijk wordt. De meeste bio-ethici zien daar niets in.

Michael Sandel, een Harvard-professor, heeft in 2004 een veel geciteerd essay geschreven in The Atlantic Monthly, getiteld: ‘The case against perfection’. Zijn conclusie is dat kinderen een geschenk zijn, niet iets dat je bestelt. Het feit dat wij niet ontworpen zijn, dat ons succes niet alleen van onze eigen inspanning afhangt maar ook van een toevallige samenloop van genetische factoren, behoedt mensen voor hubris en zelfgenoegzaamheid. Dat ongewisse vormt, volgens Sandel, de basis van de menselijke solidariteit.

Sandel schrijft elegant, maar de redenering rammelt. Ook nu al doen verstandige ouders veel om hun kinderen een goede kans te geven: zij kiezen de juiste huwelijkspartner; mijden sigaret, drug of drank tijdens de zwangerschap; bevallen onder toezicht en organiseren de beste voeding en scholing voor de kleine. Selectie van embryo’s kan daar maar weinig aan bijdragen, want je blijft afhankelijk van de toevallige combinaties van de genen van vader en moeder, waaruit het embryo gevormd wordt. Daardoor blijft kinderen krijgen een biologisch experiment, een geschenk, zo u wilt, met alle risico’s van dien. Dat het karakter van dat geschenk wezenlijk zou worden aangetast door de vermindering van de kans op suikerziekte of borstkanker, wil er bij mij niet in.

Toch is de Duitse filosoof Jürgen Habermas tegen mensverbetering, omdat daardoor de menselijke diversiteit wordt beperkt. Als mensen echt kunnen kiezen, zullen ze dan niet op den duur allemaal de laatste versie van Jan Peter Balkenende bestellen? Juist een handicap zou iemand tot een uitzonderlijk mens kunnen maken. Dat kan best, maar het is een argument, dat Habermas zeker niet op zijn eigen kinderen toegepast zou willen zien. Wie wil er een handicap voor zijn kind, omdat de ellende die dat met zich meebrengt wel eens een mooie roman of symfonie op zou kunnen leveren?

Handicaps voorkómen betekent geen discriminatie van gehandicapten, zoals wel eens beweerd wordt. De meeste gehandicapten grijpen iedere kans aan om van hun handicap af te komen. Als handicaps bij de nieuwe generatie te voorkómen zijn, zullen verstandige ouders die kans willen benutten. We proberen toch ook infectie van de ongeboren vrucht met het rode hond virus te voorkomen? Het is niet logisch dat daardoor onze solidariteit zou verminderen met mensen die al gehandicapt zijn, om welke reden dan ook.

En dan het argument dat de mogelijke ontplooiing van kinderen op bestelling wordt ingeperkt door de genetische keuzes van hun ouders. Ook dat argument snijdt geen hout. Die ontplooiing is nu al drastisch ingeperkt, omdat de ouders hebben gekozen om hun DNA te combineren in een kind (als er al een bewuste keuze aan te pas komt). Een verdere inperking is gegarandeerd door de maatschappij waarin het arme schaap wordt geboren en de positie die de ouders in die maatschappij innemen. Zal een kind later klagen dat het minder kans heeft op darmkanker of zitten blijven dan het gemiddelde? Kom nou!

Harris vindt mensverbetering acceptabel en hij is sterk tegen beperkende wetgeving omdat daarmee de vrijheid van ouders om de beste condities voor hun kroost te scheppen wordt aangetast. Hij vindt zelfs dat wij eigenlijk de plicht hebben om de menselijke evolutie in eigen hand te nemen, nu wij de harde natuurlijke selectie hebben uitgeschakeld door mensen met aanleg voor aderverkalking of suikerziekte in leven te houden, zodat zij hun minder ideale genen aan hun kinderen door kunnen geven. Dit argument is technisch-genetisch niet sterk, want de ophoping van ongunstige mutaties door medisch ingrijpen is een traag proces dat voorlopig geen gewicht in de schaal legt. Het is ook vrij onnozel te denken dat de natuurlijke evolutie van de mens niet doorgaat. Tegen nieuwe mutaties in ons genoom kunnen wij weinig doen en ook de selectie van goed aangepaste individuen gaat door. Die selectie is niet hetzelfde als indertijd in Afrika, waar de mens is ontstaan, maar in onze maatschappij zullen ook sommige genotypes (mutanten!) meer succesvol nageslacht voortbrengen dan andere.

Voor de toekomst van het menselijke ras is eugenetica niet nodig. Voor de kans op gelukkige kinderen wordt mensverbetering echter een nuttig hulpmiddel en wie daar aan twijfelt, moet het boek van John Harris maar lezen. Dat die mensverbetering voorlopig nog science fiction blijft, moet u op de koop toe nemen.